dinsdag 22 november 2011

Noodweer en noodweerexces. Een schema met toelichting.

N.J.M. Kwakman

Zie voor meer:
N.J.M. Kwakman, 'Noodweer(exces) en burgerarrest: complementaire voorzieningen' in NJB 13-01-2012, afl. 02, p. 116-119.


Vooraf:
Strafrechtelijke eigenrichting (iemand iets betaald zetten, wraak nemen) is in Nederland verboden. De overheid heeft het geweldsmonopolie. Dat wil zeggen dat alleen de overheid geweld mag toepassen om iemand strafrechtelijk te kunnen afrekenen op zijn misdaden of overtredingen.

Maar er zijn uitzonderingen. Elke burger heeft in beginsel het recht om zichzelf of een ander, maar ook zijn eigen of andermans spullen, te verdedigen tegen een ‘aanranding’ door een ander (mishandeling, aanval, beschadiging, diefstal, etc.). Als hij daarbij de ‘aanrander’ mishandelt, pleegt hij wel een strafbaar feit, maar de strafbaarheid van de ‘verdediger’ wordt dan weggenomen als blijkt dat hij zich terecht en op de juiste wijze heeft verdedigd tegen de ‘aanranding’. In dat geval valt de wederrechtelijkheid van de gedraging (die wordt verondersteld als men een strafbaar feit heeft gepleegd) bij nader inzien weg. Een succesvol beroep op noodweer levert dus een ‘rechtvaardigingsgrond’ op. De ‘verdediger’ wordt ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij niet strafbaar wordt geacht.

Maar als iemand de ‘grenzen van de noodzakelijke verdediging’ overschrijdt, dat wil zeggen: te ver gaat in zijn verdediging, te lang doorgaat en/of onnodig zwaar geweld gebruikt, dan zal een beroep op noodweer niet worden gehonoreerd. In dat geval is soms nog wel een beroep op ‘noodweerexces’ mogelijk. De verdediging was dan niet rechtmatig, maar de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging wordt hem in dat geval – onder bepaalde omstandigheden – niet aangerekend. De overschrijding is dan ‘verontschuldigbaar’. De gedachte is, dat van een normaal mens niet mag worden gevergd dat hij zich onder deze omstandigheden wist te beheersen. Het was met andere woorden heel begrijpelijk dat hij te ver ging. In dat geval valt de verwijtbaarheid (die wordt verondersteld als men een strafbaar feit pleegt) bij nader inzien weg. Een succesvol beroep op noodweerexces levert dus een ‘schulduitsluitingsgrond’ op. Daarvoor is in ieder geval nodig dat de overschrijding van de noodzakelijke verdediging het gevolg is van hevige emoties (woede, angst) die is veroorzaakt door de aanranding.

In schema

Noodweer en noodweerexces (art. 41 Sr)

Eerste vraag: is er sprake van een noodweersituatie (een situatie waarin men zichzelf, een ander of eigen of andermans spullen moest verdedigen)?

Voorwaarden:

1.                  Ogenblikkelijke aanranding? (Of onmiddellijk dreigend gevaar?)

2.                  Van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed?

3.                  Wederrechtelijke aanranding?

4.                  Verdediging noodzakelijk? (De nog enige resterende mogelijkheid?)

Zo ja, dan is er sprake van een ‘noodweersituatie’.

Beroep op noodweer mogelijk?
Extra voorwaarde:

Is déze (noodzakelijke) verdediging ook geboden?
Binnen de grenzen van de noodzakelijke verdediging gebleven? Voldaan aan het subsidiariteits- en proportionaliteitsvereiste? 

Zo ja, dan: noodweer.

Zo niet:

Dan eventueel noodweerexces (art. 41, lid 2 Sr)  
Voorwaarden:

1.         Noodweersituatie   (de 1e vier vragen hierboven  bevestigend beantwoord ?
Dus: was er sprake van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed?)

2.         De grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden? (Dus: deze verdediging niet geboden? Niet voldaan aan het subsidiariteits- en proportionaliteitsvereiste?)

3.         Deze overschrijding  (dus het ‘te ver zijn gegaan’) het onmiddellijke gevolg van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door  de aanranding?
(dubbele causaliteit)


Dit alles wordt meestal als volgt grafisch  weergegeven:

Noodweer (verdediging proportioneel)

Aanranding    ───────────
Verdediging    ────────────

Noodweerexces (verdediging onverwijtbaar disproportioneel)

a.                   intensief exces
Aanranding   ───────
Verdediging    ==========

b.                   extensief exces
Aanranding   ───────
Verdediging   ────────────

c.          tardief exces (ook wel extensief exces in de 2e graad genoemd)
Aanranding   ─────
Verdediging                  ──────



Uitwerking en toelichting:

De voorwaarden voor een succesvol beroep op noodweer of noodweerexces (art. 41 Sr)

Allereerst moet er sprake zijn van een ‘noodweersituatie’, dat wil zeggen: een situatie waarin men zichzelf of een ander (of eigen of andermans spullen) moest verdedigen tegen een aanranding.

Daarvan is sprake als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

1.      Een ogenblikkelijke aanranding (aanval, beschadiging, etc.).

De aanranding moet al zijn begonnen en mag ook nog niet zijn beëindigd.
Dit moet echter ‘ruim’ worden uitgelegd. Als er – objectief gezien – sprake is van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding, dan valt dat ook onder ‘ogenblikkelijke aanranding’. Als iemand uithaalt om jou een klap te geven, dan hoef je die klap niet af te wachten. Dat onmiddellijk dreigend gevaar moet echter wel kunnen worden afgeleid uit de ‘veruiterlijkte’ intentie van de mogelijke aanrander (gedragingen en andere omstandigheden van het geval). Als er alleen maar ‘subjectieve’ vrees bestaat dat iemand jou wel eens iets zou kunnen aandoen (bijvoorbeeld omdat hij je boos aankijkt), is dat geen reden om dan maar vast in de aanval te gaan. Ieder normaal persoon moet in dezelfde situatie – aan de hand van ‘uiterlijke omstandigheden’ – tot de conclusie hebben kunnen komen dat hij zou worden aangerand.

2.      Van eigen of andermans lijf, eerbaarheid en goed.

Voor een ‘noodweersituatie’ is nodig dat de ‘aanranding’ is gericht tegen
a.   eigen of andermans lijf (mishandeling en dergelijke),
b.   eigen of andermans seksuele eerbaarheid (het betreft dus niet de eerbaarheid in de zin van belediging, maar wat we in het dagelijks taalgebruik als ‘aanranding’ of als verkrachting aanmerken). Deze variant is toegevoegd om ook voor de gevallen die niet onder de variant sub a vallen (er is bijvoorbeeld geen sprake van ‘mishandeling’), maar die wel een inbreuk opleveren op de seksuele integriteit, een beroep op noodweer mogelijk te maken.
c.   eigen of andermans goed (beschadiging, diefstal, etc.). Met het begrip ‘goed’ wordt bedoeld: ‘voor menselijke beheersing vatbare’ stoffelijke objecten (concrete voorwerpen of materialen).

Onstoffelijke rechten vallen er dus niet onder. Een insluiper in een woning die verder niets van plan is dan alleen maar (zonder toestemming) wat rondkijken, maakt zich schuldig aan huisvredebreuk. Als hij nog niets heeft weggenomen, en er ook geen onmiddellijk dreigend gevaar is dat hij iets zal wegnemen, beschadigen of de bewoner iets zal aandoen, is er nog geen ‘noodweersituatie’. Dat wil zeggen dat de bewoner die zich ‘met gepast geweld verdedigt’ tegen deze inbreuk op zijn huisvrede, geen succesvol beroep kan doen op noodweer(exces).
Dat stuit op groot onbegrip bij velen. En misschien niet helemaal onterecht. Er is wel iets voor te zeggen de ‘rechtsbelangen’ die in art. 41 Sr worden beschermd, aan te vullen met het recht op huisvrede (vgl. de Amerikaans ‘castle doctrine’). Dat zou betekenen dat – naast het eigen of andermans lijf, eerbaarheid en goed – ook huisvredebreuk een reden zou zijn om je daartegen rechtmatig te kunnen verdedigen en een beroep te kunnen doen op noodweer(exces).
Een andere mogelijkheid is dat in gevallen waarin sprake is van insluipers, het ‘onmiddellijk dreigend gevaar’ dat de insluiper eigen lijf, eerbaarheid of goed zal aanranden (dus dat is voldaan aan het vereiste van ‘ogenblikkelijke aanranding’) al snel wordt aangenomen. Maar daar kleven - dat zal duidelijk zijn - nogal wat risico's aan. Het kan immers zijn dat de 'insluiper' geen kwade bedoelingen heeft, of dat er helemaal geen sprake is van een insluiper, maar van iemand die op goede gronden de woning is binnengetreden (bijv. om de bewoners te waarschuwen voor brand). Eventuele overschrijding van 'de grenzen van de noodzakelijke verdediging' tegen de veronderstelde insluiper kan dan tot rampzalige gevolgen leiden.

Overigens is de toevoeging van huisvrede aan de rechtsbelangen die worden beschermd in art. 41 Sr, ook niet echt nodig. Als de bewoner de insluiper op heterdaad betrapt, mag de bewoner de insluiper ‘met gepast geweld’ aanhouden (arresteren) en overdragen aan de politie. Ook burgers mogen bij ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit de dader aanhouden en vasthouden (eventueel even opsluiten) totdat de politie is gearriveerd (zie ook hieronder ad 3).

Als de burger bij het betrappen van een insluiper zodanig schrikt of in paniek raakt dat hij zich 'verdedigt' tegen de insluiper, ondanks dat het zich verdedigen tegen huisvredebreuk geen succevol beroep op noodweer(exces) zou opleveren, kan een beroep op 'psychische overmacht' ook nog uitkomst bieden.


3.      Een wederrechtelijke (onrechtmatige) aanranding

Over het algemeen zal de aanranding wel wederrechtelijk zijn, maar dat hoeft niet altijd. Als een opsporingsambtenaar iemand met gepast geweld aanhoudt (arresteert) is de toepassing van dat geweld rechtmatig. Als de aangehoudene zich daartegen met geweld verdedigt, kan hij geen beroep doen op noodweer – de ‘aanranding’ door de opsporingsambtenaar was immers niet wederechtelijk – en maakt hij zich zelfs schuldig aan wederspannigheid (art. 180 Sr). Hij kan dan hooguit nog een beroep doen op verontschuldigbare dwaling – dat in dit geval ‘putatief noodweer’ wordt genoemd – als hij er niet van op de hoogte was en hoefde te zijn dat het bijv. een politieambtenaar in burger betrof.

Dat alles heeft ook gevolgen voor het ‘burger-arrest’. Als een bewoner een insluiper ‘met gepast geweld’ wil arresteren en overdragen aan de politie, en de insluiper verzet zich daar tegen met geweld, dan is dat geweld van de insluiper ‘wederrechtelijk’. De insluiper kan dan immers geen beroep doen op noodweer(exces) omdat het ‘met gepast geweld aanhouden’ van de insluiper door de bewoner rechtmatig was. Aan de voorwaarde van ‘wederrechtelijkheid’ van de aanranding door de bewoner (om als insluiper een beroep te kunnen doen op noodweer) is dan niet voldaan.

De bewoner kan zich op zijn beurt wel ‘rechtmatig’ verdedigen tegen het geweld van de insluiper. Immers, het zich met geweld verzetten tegen een rechtmatige aanhouding levert een ‘wederrechtelijke aanranding’ op (welke wederrechtelijkheid niet kan worden weggenomen door een beroep op noodweer). Het is zelfs niet ondenkbaar dat de bewoner die (veel) te ver gaat in het zich verdedigen tegen het gewelddadige verzet van de insluiper, vrijuit gaat omdat hij wellicht nog een beroep zou kunnen doen op noodweerexces.

Hier vloeien het burger-arrest en een eventuele noodweersituatie dus in elkaar over.

Wel moet worden erkend dat het nog maar de vraag is of elke bewoner de moed heeft of moeite wil nemen om de inbreker aan te houden en nog enige tijd met hem opgescheept te zitten. Een andere mogelijkheid zou dan zijn de inbreker te sommeren de woning te verlaten en hem, als hij aarzelt of weigert, bij de arm te nemen om hem met zachte drang de woning uit te zetten. Als dat niet gepaard gaat met geweld, en het beetpakken dus niet als strafbaar feit kan worden aangemerkt, is deze ‘aanranding’ alleen al om die reden niet wederrechtelijk. Als de inbreker zich daartegen met geweld verzet, geldt hetzelfde als voor de aanhouding bij heterdaad: het zich met geweld verzetten is op zijn beurt wel wederrechtelijk en de bewoner kan zich daartegen met (proportioneel) geweld verdedigen en vervolgens eventueel een succesvol beroep doen op noodweer(exces).

Ook in dit verband kan (als de burger te ver gaat) een beroep op psychische overmacht nog uitkomst bieden.

4.      Noodzakelijke verdediging.

De verdediging moet noodzakelijk zijn geweest. Het moet nog de enige resterende mogelijkheid zijn geweest. Het slachtoffer kón niet anders dan zich verdedigen tegen de aanranding.
Deze voorwaarde moet ruim worden uitgelegd. De vraag is of van het slachtoffer kon worden gevergd dat hij/zij zichzelf (of een ander of eigen en andermans spullen) aan de aanranding kon onttrekken door bijv. te vluchten. Als het slachtoffer werd aangevallen en hij kon geen kant meer op, dan heeft hij zich wel moeten verdedigen. Het hangt af van alle omstandigheden van het geval en van de persoon van het slachtoffer of van hem/haar mocht worden gevergd dat hij/zij zich aan de aanranding onttrok.

Als aan deze 4 voorwaarden is voldaan, is er sprake van een noodweersituatie.

Vervolgens moet worden bekeken of er een beroep kan worden gedaan op noodweer of op noodweerexces.

1.      Beroep op noodweer

Voor een succesvol beroep op noodweer (een rechtvaardigingsgrond) mag de ‘verdediger’ niet te ver zijn gegaan in zijn verdediging. Hij mag de grenzen van de noodzakelijke verdediging niet hebben overschreden. De verdediging moet in deze vorm zijn ‘geboden’.
(N.B.: Er zijn auteurs die de begrippen ‘noodzakelijke verdediging’ en ‘geboden’ anders uitleggen, maar het komt allemaal op hetzelfde neer)

Voor de vraag of de ‘verdediger’ de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, wordt gekeken naar het proportionaliteitsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel.

a.       Het proportionaliteitsbeginsel houdt in dat het belang dat men met zijn ‘verdediging’ probeert te beschermen, min of meer even zwaar moet wegen dan (in redelijke verhouding staat tot) het belang dat wordt beschermd door de overtreden regel (het strafbare feit dat men pleegt om zichzelf of een ander – of eigen of andermans spullen – te verdedigen). Als iemand een tasje van een ander wil afpakken, dan mag die ander wel proberen zijn tasje te ‘verdedigen’ tegen die aanranding, maar hij mag de aanrander daarbij niet zodanig toetakelen dat het gevaar bestaat dat hij de ‘verdediging’ niet overleeft. Doodslag en/of zware mishandeling met de dood als gevolg zijn strafbare feiten die niet in verhouding staan tot het verlies van een tasje. Aan het leven van de mens (ook van een dief) wordt in ons stelsel altijd nog meer gewicht toegekend dan aan stoffelijk voorwerpen. Was dat niet het geval, dan zouden we aanvaarden dat op diefstal de doodstraf kan staan. Er moet dus een juiste belangenafweging zijn gemaakt wil de ‘verdediger’ een beroep kunnen doen op noodweer.

b.      Het subsidiariteitsbeginsel houdt in dat de ‘verdediger’ moet kiezen voor het minst ingrijpende (minst strafbare) alternatief om zijn doel te bereiken. Als hij kan volstaan met een eenvoudige tik, dan mag hij de aanrander bijvoorbeeld niet neerschieten. En als kan worden volstaan met het klemrijden van een benzinedief (om de gestolen benzine tegen de voortdurende ‘aanranding’ te verdedigen), dan mag hij niet naar een zwaarder middel grijpen en mag hij bijv. de dief niet uit de auto sleuren om hem een pak rammel te geven.
Overigens kan het klem rijden van de benzinedief ook in de sleutel worden gezet van aanhouding op heterdaad (door een burger).

Beide beginselen, het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel, worden ook wel samengevoegd.
Er wordt dan gesteld dat de verdediging (in beide opzichten) niet disproportioneel mag zijn.
Of dat het geval is hangt af van de omstandigheden van het geval en van de persoon van de ‘verdediger’ (Garantenstellung). Een geoefend schutter weet bijvoorbeeld dat hij niet op vitale lichaamsdelen mag schieten als hij zich verdedigt tegen een aanranding van zijn lijf. Als hij dat toch doet, is de verdediging disproportioneel (omdat niet is voldaan aan het subsidiariteitsbeginsel). Bij een niet geoefend schutter kan dat anders liggen.

Jezelf welbewust al op voorhand beveiligen tegen (bijv.) inbrekers of overvallers door een pistool aan te schaffen, of door een honkbalknuppel binnen handbereik te houden, kan – als het tot een inbraak of een overval komt – gemakkelijk tot escalatie leiden. Daardoor zullen de grenzen van de noodzakelijke verdediging al snel worden overschreden, met alle gevolgen van dien.  

Dat laat onverlet dat verboden wapenbezit op zichzelf niet in de weg hoeft te staan aan een ‘proportionele verdediging’ met gebruik van het wapen (immers, het leven van de aanrander weegt niet zwaarder dan het mijne en voorts kan het zijn dat er, gelet op de situatie, geen alternatief – even effectief, maar minder ingrijpend – verdedigingsmiddel voor handen is).
Ook een verdediging met een illegaal wapen sluit dus een succesvol beroep op noodweer niet uit, als maar wel op de koop toe wordt genomen dat het gebleken verboden wapenbezit strafrechtelijk zal worden afgestraft.

Als de verdediging proportioneel was (dus als de verdediger niet te ver is gegaan) kan een succesvol beroep op noodweer worden gedaan.

2.      Beroep op noodweerexces

Als de grenzen van de noodzakelijke verdediging wel zijn overschreven en de verdediging dus disproportioneel is geweest, is een succesvol beroep op noodweer niet mogelijk. De verdediging was dan wederrechtelijk.
Wel kan het zijn dat de overschrijding van de noodzakelijke verdediging verontschuldigbaar was, dus niet verwijtbaar is.
In dat geval kan de ‘verdediger’ nog een beroep doen op noodweerexces (een schulduitsluitingsgrond).

Er zijn verschillende varianten van ‘exces’, dus van overschrijdingen van de noodzakelijke verdediging, denkbaar:
a.   Het ‘intensief’ noodweerexces (een te zwaar middel in verhouding tot de aanranding);
b.   Het ‘extensief’ noodweerexces (het middel is weliswaar niet te zwaar in verhouding tot de aanranding, maar de ‘verdediger’ gaat te lang door: hij gaat door met verdedigen terwijl de aanranding al is afgelopen);
c.   Het ‘tardief’ noodweerexces (de aangerande begint pas met verdedigen als de aanranding al is afgelopen. Er is dan meestal sprake van een reflexmatige reactie op een kortstondige aanranding – een klap of een stomp – waarbij de aanranding in feite al is afgelopen, en er dus geen noodweersituatie meer is (een voorwaarde voor – ook – noodweerexces). Toch heeft de Hoge Raad aanvaard dat, als in dergelijke situaties de reflexmatige verdediging direct na de aanranding heeft plaatsgevonden, terwijl de aangerande zich eigenlijk had moeten beheersen omdat de aanranding al was afgelopen, de aangerande onder bepaalde voorwaarden toch een beroep kan doen op noodweerexces.)

In de praktijk zal er vaak sprake zijn van een ingewikkeld feitencomplex waarin het aanranden en het zich verdedigen daartegen elkaar afwisselen (bijvoorbeeld bij vechtpartijen). Het kan dan lastig zijn vast te stellen welke handelingen nog als wederrechtelijke aanranding of als rechtmatige verdediging moeten en kunnen worden aangemerkt. Immers, na elke klap of trap is de aanranding op de keper beschouwd beëindigd, tenzij er sprake is van onmiddellijk dreigend gevaar voor een volgende klap of trap, zodat ook de verdediging in die sleutel kan worden gezet. Ook hieruit blijkt dat de omstandigheden van het geval van doorslaggevende betekenis zijn om te kunnen beoordelen of de verdediging rechtmatig was, en – zo niet – of de wederrechtelijke verdediging dan in ieder geval verontschuldigbaar is.

Om een succesvol beroep op noodweerexces te kunnen doen moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

a.         Er moet sprake zijn van een noodweersituatie (zie boven)
b.         De grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden (zie hierboven)
c.         Die overschrijding moet het gevolg zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging  (woede,  angst, etc.) die het gevolg is geweest van de aanranding. Hier is dus een dubbele causaliteit vereist.
Als de hevige gemoedsbeweging hoofdzakelijk door iets anders is veroorzaakt (bijvoorbeeld woede door sluimerende wraakgevoelens of hevige angstgevoelens als gevolg van een battered women syndrom) dan kan geen beroep worden gedaan op noodweerexces, maar wellicht wel op psychische overmacht.

Of de overschrijding van de noodzakelijke verdediging verontschuldigbaar is, hangt af van tal van factoren: de omstandigheden van het geval en de persoon van de ‘verdediger’ (van een opsporingsambtenaar mag men bijv. verwachten dat deze zich beter weet te beheersen dan de gemiddelde burger: Garantenstellung).
Voorts kan het zijn dat de ‘verdediger’ zichzelf in zodanige situatie heeft gemanoeuvreerd dat hij de overschrijding van de noodzakelijke verdediging aan zichzelf heeft te wijten (bijvoorbeeld door zichzelf al op voorhand te beveiligen tegen eventuele aanrandingen door middel van verboden wapenbezit, gevaarlijke ‘voorzorgsmaatregelen’, zoals allerlei vormen van boobytraps, etc.)

Als aan de voorwaarden is voldaan, kan de ‘verdediger’ een succesvol beroep doen op noodweerexces en is hij – ondanks dat hij een strafbaar feit heeft gepleegd – niet strafbaar.



Burgerarrest

Voor de volledigheid zij er nog eens op gewezen dat burgers bij ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit de dader mogen aanhouden om hem zo spoedig mogelijk over te dragen aan de politie. De dader dient daartoe te worden medegedeeld dat hij is aangehouden. De dader kan daarbij met gepast geweld in bedwang worden gehouden en desnoods even worden opgesloten totdat de politie is gearriveerd. Als de dader zich met geweld verzet tegen zijn aanhouding, kan de burger zich daartegen ‘verdedigen’ en daarbij zo nodig meer geweld toepassen. Als hij daarbij een strafbaar feit pleegt (mishandeling e.d.) kan hij zich beroepen op noodweer, of – als hij te ver is gegaan als gevolg van de hevige emoties die gepaard kunnen gaan met het verzet van de dader – op noodweerexces.


De ‘Aanwijzing handelwijze bij beroep op noodweer’.

Tot slot kan ook de ‘Aanwijzing handelwijze bij beroep op noodweer’ niet onbesproken blijven. Daarmee komt het College van P-G’s (namens de regering) tegemoet aan de gevoelens van onvrede die de arrestatie van slachtoffers van aanrandingen die zich daartegen hadden verdedigd door het plegen van strafbare feiten, in de samenleving opriep. Er is nogal wat (juridisch technische) kritiek geuit op deze aanwijzing, waarop hier niet zal worden ingegaan. De aanwijzing houdt kort gezegd in, dat in het geval er aanwijzingen zijn dat er sprake is van een verdedigingshandeling in of rond de woning of bedrijf, die weliswaar een strafbaar feit oplevert, degene die zich op noodweer zou kunnen beroepen, niet als verdachte van een strafbaar feit wordt aangehouden, althans niet op voorhand.

N.B.:
Het spreekt natuurlijk vanzelf dat het altijd beter is om - indien mogelijk - een confrontatie met de inbreker te voorkomen, bijvoorbeeld door een hoop kabaal te maken en daarmee de inbreker je huis uit te jagen.

Maar dat dergelijke standpunten niet altijd bij iedereen in goede aarde vallen, blijkt wel uit:







4 opmerkingen:

  1. Hoi,

    Handig overzicht! Weet jij toevallig in welk arrest de Hoge Raad beslist heeft dat het burgerarrest, net zoals het het aanhouden door een politieambtenaar, géén wederrechtelijke aanranding is? Alvast bedankt!

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Burgerarrest is een wettelijk verankerde bevoegdheid (zie art. 53 Sv)

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Hoi,

    Ik vraag me af in welke gevallen er sprake kan zijn van tardief exces.

    Kan er bijvoorbeeld sprake zijn van tardief exces als er een aanranding heeft plaatsgevonden en een van de betrokkenen er pas na enige tijd achter komt dat hij tijdens deze aanranding is gestoken? Kan er op dat moment nog een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt worden door die gebeurtenis? Of
    heeft een beroep op noodweerexces geen enkele kans van slagen?

    Met vriendelijke groet

    BeantwoordenVerwijderen
  4. 'Tardief' betekent: te laat. Een beroep op noodweer(exces) wordt - als ook aan alle andere voorwaarden wordt voldaan - alleen gehonoreerd als er sprake is van een 'ogenblikkelijke' aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Er moet dus altijd sprake zijn van een 'noodweersituatie'. Alleen in hoogst uitzonderlijke gevallen kan nog een beroep worden gedaan op noodweerexces als de aanranding al voorbij is. Dat wil zeggen: als het slachtoffer zich begint te verdedigen meteen nadat de aanranding al voorbij is (en ook aan de andere voorwaarden voor noodweerexces is voldaan). Voorbeeld: je krijgt een klap en in een fractie van een seconde daarna verdedig je je (te laat dus) tegen de klap die de aanrander jou al heeft gegeven. De aanranding is dan in feite al afgelopen, terwijl het slachtoffer zich daarna pas (dus 'tardief') verdedigt. Het feit dat het slachtoffer (o.a. vanwege zijn hevige gemoedstoestand) net te laat is met zijn verdediging, wordt hem in dat geval (soms) niet aangerekend. Zie HR: Ruzie te Loon op Zand.
    Als het slachtoffer zich enige tijd later pas 'verdedigt' tegen de eerdere aanranding, zal de rechter een beroep op noodweerexces niet honoreren. Dat ligt ook wel voor de hand, want dan is er geen sprake meer van verdedigen, maar hooguit van 'vergelding' of wraakneming

    BeantwoordenVerwijderen