donderdag 1 december 2011

Opzet en schuld

Het Opzet

A.     De (materiële) inhoud van het begrip opzet

Opzet is willens en wetens handelen en/of willens en wetens een bepaald gevolg/toestand teweegbrengen.

In delictsomschrijvingen zijn verschillende varianten van opzet te vinden. Echter, alle varianten hebben één ding gemeen: er moet altijd sprake zijn van een vorm van willen en weten, waarbij soms het accent ligt op het weten (‘wetende dat’) en soms op het willen (‘met het oogmerk om’).
In het ‘wils-element’ onderscheidt opzet zich van culpa (schuld). Voor culpa is geen ‘willen’ vereist, maar hooguit (en alleen bij ‘bewuste’ schuld) een vorm van weten, van een besef van gevaar of ongeoorloofdheid.
Kortom: opzet en culpa zijn heel verschillende geestesgesteldheden en sluiten elkaar uit: als opzet kan worden bewezen, kan culpa niet worden bewezen en vice versa (al zijn er rechtsgeleerden die daar anders over denken)

Het begrip opzet is ‘ethisch neutraal’. Opzet heeft – als gezegd – betrekking op een psychische gesteldheid (willens en wetens handelen) die op zichzelf nog niets zegt over de afkeurenswaardigheid daarvan. Immers, men kan ook opzettelijk voor het goede kiezen.


De verhouding tussen varianten en gradaties van opzet.

Naast de verschillende varianten van opzet is er ook nog sprake van verschillende gradaties van opzet:

Opzet als bedoeling (het accent ligt op het willen, d.w.z. het beogen van een bepaald gevolg of toestand. Toch moet er ook sprake zijn van ‘weten’ (ten minste enig besef dat het beoogde gevolg/toestand ook daadwerkelijk – mogelijk, waarschijnlijk of noodzakelijk – zal intreden).

Opzet als zekerheids- of noodzakelijkheidsbewustzijn (het accent ligt op het weten: men weet zeker dat een bepaalde gedraging tot een bepaald gevolg/toestand zal leiden. Daarmee is – als men de gedraging desondanks verricht – het ‘willen’ gegeven. Zozeer zelfs dat deze gradatie van opzet ook wel tot de variant ‘beogen’ (bedoeling) wordt gerekend: als je zeker weet dat je handelen tot een bepaald gevolg/toestand leidt, en je doet het toch, dan beoog je dat gevolg/die toestand ook.

Opzet als waarschijnlijkheidsbewustzijn (het accent ligt op het besef dat er een grote kans bestaat dat een bepaalde gedraging tot een bepaald gevolg/toestand zal leiden. Als men de gedraging dan toch verricht (en er voorts aan bepaalde andere voorwaarden wordt voldaan) wordt daaruit het ‘willen’ afgeleid, zij het in afgezwakte vorm: het ‘aanvaarden’ van de aanmerkelijke kans dat het gevolg intreedt.

Opzet als mogelijkheidsbewustzijn (het accent ligt ook hier op het besef dat er weliswaar een niet zo heel grote, maar toch nog wel aanmerkelijke kans bestaat dat een bepaalde gedraging tot een bepaald gevolg/toestand zal leiden. Als men de gedraging dan toch verricht (en er voorts aan bepaalde andere voorwaarden wordt voldaan, zie verderop) wordt daaruit het ‘willen’ afgeleid, zij het ook hier weer in afgezwakte vorm: het ‘aanvaarden’ van de aanmerkelijke kans dat het gevolg intreedt.


De gradaties met een ‘afgezwakte vorm’ van willen – globaal gesproken: opzet als waarschijnlijkheids- en mogelijkheidsbewustzijn – worden ‘voorwaardelijk opzet’ genoemd.
De gebruikelijke terminologie waarmee de Hoge Raad het voorwaardelijk opzet pleegt aan te duiden, is:
het welbewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat…(of het op de koop toenemen van de aanmerkelijke kans dat…)’
Soms ook wel:
‘zich willens en wetens blootstellen aan de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans dat …’; ‘zich bewust (of willens en wetens) blootstellen aan de aanmerkelijke kans dat…’;

De vraag of er sprake was van een ‘aanmerkelijke’ kans wordt beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval in combinatie met ervaringsregels. Er moet statistisch gezien een aanzienlijke kans zijn dat het gevolg intreedt (de rechter en/of de wetgever stellen ‘normatief’ vast hoe groot de statistische kans moet zijn om aanmerkelijk te kunnen worden genoemd).
De ‘aanmerkelijkheid’ van de kans hangt in ieder geval niet af van de aard van de gevolgen. Een kleine kans op een ernstig gevolg maakt de kans dus niet ‘aanzienlijk’ (er blijft in dat geval hooguit ‘bewuste schuld’ m.b.t. het ernstige gevolg over).


De verschillende wettelijke varianten van opzet kunnen samenvallen met de verschillende gradaties van opzet, met als belangrijkste uitzondering dat opzet met ‘afgezwakte vormen van willen’ (dus opzet als waarschijnlijkheids-  en mogelijkheidsbewustzijn, m.a.w.: ‘voorwaardelijk opzet’) niet kan samenvallen met opzet als ‘bedoeling’. Opzet als bedoeling kan dus niet worden bewezen via ‘voorwaardelijk opzet’.

Voorwaardelijk opzet markeert de grens tussen opzet en (bewuste) schuld. Bij bewuste schuld is er wel besef van een (aanmerkelijke) kans, d.w.z. van een onaanvaardbaar groot risico, maar deze aanmerkelijke kans – althans de verwezenlijking daarvan, zie verderop – werd niet ‘aanvaard’. Op grond van een verkeerde inschatting wordt aangenomen dat het zo’n vaart niet zou lopen en dat de mogelijke consequenties niet zouden intreden.

De grens tussen voorwaardelijk opzet en (bewuste) schuld. Een voorbeeld:
a.
X wil een drukke weg oversteken. X heeft net een bank beroofd en wordt achtervolgd door de politie. Hij wil koste wat kost uit de handen van de politie blijven. Als hij wil oversteken ziet hij een auto met grote snelheid naderen. Desondanks aanvaardt hij welbewust de aanmerkelijke kans dat hij een ongeval zal veroorzaken door toch over te steken (en mogelijk ook zelf gewond te raken of nog erger), als hij maar uit handen van de politie blijft. Als hij inderdaad – door toch over te steken – een ongeval veroorzaakt met ernstige gevolgen, is er in dat geval sprake van ‘voorwaardelijk opzet’ op de gevolgen.
N.B.: X kan ook het oogmerk hebben een ongeval te veroorzaken. In dat geval is er sprake van 'opzet als bedoeling', een 'hogere gradatie' van opzet dan voorwaardelijke opzet 
Voorbedachte raad heeft daarentegen geen betrekking op de 'gradaties' van opzet, maar op de wijze waarop het opzet tot stand is gekomen. Zie daarvoor de link onderaan deze blog.
b.
X wil een drukke weg oversteken. X heeft haast. Als hij wil oversteken ziet hij een auto met hoge snelheid naderen. Hij is zich bewust van het (grote) risico dat hij een ongeval zal veroorzaken als hij toch oversteekt, maar hij denkt dat hij het wel zal redden, want hij kan hard lopen. Hij schat echter de snelheid van de auto verkeerd in en veroorzaakt daardoor een ongeval met ernstige gevolgen. In dat geval zijn deze ernstige gevolgen te wijten aan de ‘bewuste schuld’ van X.
Roekeloosheid is een speciale variant van (bewuste) schuld. Zie daarvoor de link onderaan deze blog.
c.
X wil een drukke weg oversteken. X is – als gebruikelijk – in gedachten verzonken. Als hij wil oversteken kijkt hij niet op of om en ziet dan ook niet de auto die met hoge snelheid komt aangereden. Als daardoor een ongeval wordt veroorzaakt met ernstige gevolgen, dan zijn deze ernstige gevolgen te wijten aan de ‘onbewuste schuld’ van X.

De vraag is nog wel of ‘bewuste schuld’ afkeurenswaardiger is dan ‘onbewuste schuld’. Die vraag is niet eenvoudig te beantwoorden. Het geheel ontbreken van zorg voor de omgeving  (het aan de laars lappen van de belangen van anderen door onachtzaamheid, ongeïnteresseerdheid, en het niet voldoen aan de algemene zorgplicht t.o.v. de omgeving, etc.) kan net zo afkeurenswaardig zijn als welbewust een risico lopen. In dat laatste geval is er ten minste nog een afweging gemaakt.
Toch heeft de wetgever bepaalde vormen van ‘bewuste schuld’ (roekeloosheid) strenger willen bestraffen dan ‘onbewuste schuld’. Dat houdt mede verband met het feit dat ‘roekeloosheid’ dicht aanleunt tegen ‘voorwaardelijk opzet’ (het ‘wilselement’ kan daarbij net niet worden vastgesteld).
Daarmee is ook de kloof tussen de maximum straffen waarmee culpose delicten respectievelijk opzetdelicten worden bedreigd, enigszins gedicht.

Overigens kan de terminologie die wordt gebruikt om ‘voorwaardelijk opzet’ mee aan te duiden, wat tot verwarring leiden. Immers, ook bij bewuste schuld wordt welbewust de (aanmerkelijke) kans aanvaard dat het desbetreffende gevolg zou kunnen intreden, althans wordt ten aanzien daarvan een aanzienlijk risico genomen. In dat geval denkt men echter dat het zo’n vaart niet zal lopen en dat het risico zich niet zal verwezenlijken.
Benadrukt moet dus worden dat als wordt gesproken van ‘het welbewust aanvaarden van de
aanmerkelijke kans’ wordt gedoeld op ‘voorwaardelijk opzet’. Er wordt mee bedoeld tot uitdrukking te brengen dat (tevens) wordt aanvaard dat de aanmerkelijke kans zich ook daadwerkelijk verwezenlijkt of kan verwezenlijken.

B.            De bewijsconstructie van het opzet (de ‘drietrapsraket’)

Als uit de verklaringen van de verdachte of uit getuigenverklaringen niet kan worden afgeleid of er al dan niet sprake was van opzet, kan de rechter het bewijs van opzet zo nodig ook – of niet – construeren aan de hand van uiterlijke factoren en omstandigheden in combinatie met algemene ervaringsregels en ‘logische constructies’ (vgl. het zgn. normaliteitssyllogisme):

a) Iedereen weet dat deze gedraging tot die en die gevolgen/toestand zal leiden.
b) Als iedereen dat weet, zal de verdachte het normaalgesproken ook weten (dus niet ‘had moeten weten’, want dat duidt op een psychisch manco: iets wat er had moeten zijn, maar er niet is: onbewuste culpa),
c) En als je weet wat je teweegbrengt (teweeg kunt brengen) en je doet het toch, dan wil je het ook, althans dan aanvaard je minst gesproken de consequenties (een vorm van willen). 

Wat betreft ‘opzet als zekerheid- of waarschijnlijkheidsbewustzijn’ is, mét het besef
dat de gevolgen (bijna) zeker zullen intreden, het wilselement als het ware al gegeven.
Maar in de laatste variant (mogelijkheidsbewustzijn) is er vaak meer voor nodig om het wilselement te kunnen aannemen.
Het hangt dan (naast de desbetreffende algemene ervaringsregel: iedereen weet…)
af van de aard van de gedraging en de omstandigheden van het geval of het ‘willen’ uit het ‘weten’ mag worden afgeleid. De gedraging kan naar haar uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg, dat het niet anders kan dan dat de verdachte het desbetreffende gevolg heeft aanvaard (dat geldt met name voor geweldsdelicten). Een voorbeeld: iemand voor een rijdende trein duwen.
Daarnaast kunnen de omstandigheden van het geval, in combinatie met ervaringsregels, er aan in de weg staan het willen uit het weten af te leiden (dat geldt met name voor verkeersdelicten. Als iemand steeds weer een inhaalpoging afbreekt, dan blijkt daaruit dat de persoon in kwestie het – door onvoorzichtig inhalen – veroorzaakte ongeval niet op de koop heeft toegenomen, mede met het oog op de ervaringsregel dat verkeersdeelnemers in het algemeen hun eigen leven niet in de waagschaal willen stellen).

N.B.: het gevaar bestaat wel dat deze ‘geobjectiveerde bewijsconstructies’ van opzet (die soms nodig kunnen zijn omdat de rechter niet in het hoofd van de – ontkennende – verdachte kan kijken) ontaarden in ‘normatieve bewijsconstructies’. Dat wil zeggen dat het opzet (uit bewijsnood) wordt ‘toegerekend’ in plaats van ‘vastgesteld’. Dat is de omgekeerde wereld: het opzet wordt dan aangenomen, bijv. vanwege de ernst en de verschijningsvorm van het delict, in plaats van de ernst van het delict (mede) af te leiden uit het aantoonbare opzet.
Dat alles laat onverlet dat ook bij het ‘geobjectiveerd vaststellen’ van het opzet, een bepaalde – normatief aanvaardbare – onzekerheidsmarge voor lief moet worden genomen. Echter, in dat verband heeft ‘normatief’ een heel andere betekenis dan in ‘normatief toerekenen’.

De rechter kan overigens ook uit de verklaringen van de verdachte en/of getuigen afleiden dat er al dan niet sprake is van opzet of culpa. Als uit de verklaring van de verdachte blijkt dat
het hem niet kon schelen dat hij met zijn handelen mogelijk het desbetreffende gevolg teweeg zou brengen, is er sprake van ‘welbewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans’ in de zin van voorwaardelijk opzet.


Enkele aanvullende opmerkingen:

-               Het motief van de verdachte, diens emoties, de aanleiding (b.v. een ingrijpende gebeurtenis), kortom: wat er allemaal door de verdachte heen is gegaan, is niet relevant voor de vraag of opzet kan worden aangenomen. Eventueel wel voor de strafmaat.

-               Opzet duidt – als gezegd – op een geestesgesteldheid waarin (nog) geen morele verwijtbaarheid besloten ligt (in tegenstelling tot culpa). Men kan immers ook opzet hebben op het goede. Het opzetbegrip is dus zedelijk neutraal. Het heeft slechts betrekking op de doelgerichtheid van de gedraging. Dat neemt niet weg, dat opzet in veel gevallen wel de basis vormt, of in ieder geval een voorwaarde is, voor schuld in de zin van verwijtbaarheid.

-               Ook de intensiteit van het willen of weten is niet relevant. Voor de vraag of er sprake was van opzet is dus niet van belang of de verdachte handelde in een opwelling en/of werd meegesleurd door zijn driften, dan wel berekenend te werk ging en/of een eerder genomen besluit koelbloedig tot uitvoering bracht. (Dat alles kan bijvoorbeeld wel een rol spelen bij het bepalen van de strafmaat.)

-               Er is altijd opzet op iets, d.w.z. opzet op een gedraging, een toestand, een gevolg of een omstandigheid. De relatie tussen het opzet en de objectieve bestanddelen van de delictsomschrijving wordt het ‘schuldverband’ genoemd. (Formeel opzet: opzet op een handeling; materieel opzet: opzet op een gevolg; daarnaast opzet op andere bestanddelen van een delictsomschrijving.)

-               In ons strafrecht wordt opzet opgevat als ‘kleurloos opzet’. Dat wil zeggen dat het voor de vraag of er sprake was van opzet, niet relevant is of de verdachte zich ervan bewust was dat hij een strafbaar feit pleegde. ‘Boos opzet’ is dus niet vereist (dat ligt wat genuanceerder als opzet is vereist op het daarop volgende bestanddeel ‘wederrechtelijk’: hij die opzettelijk wederrechtelijk… etc. Als opzet en wederrechtelijk in de delictsomschrijving nevenschikkend zijn, omdat het woordje ‘en’ er tussen in geplaatst, geldt wel de hoofdregel van ‘kleurloos opzet’ ).




Culpa (schuld)

Er wordt in de literatuur onderscheid gemaakt tussen culpose gevolgsdelicten en overige culpose delicten (waarbij de culpa niet op het gevolg is betrokken, maar op bepaalde andere omstandigheden).

Bij deze laatste categorie (de ‘overige’ culpose delicten) is de gedraging waar het om gaat, expliciet in de delictsomschrijving omschreven. Culpa is in dat geval op te vatten als een psychisch manco, niet m.b.t. het gevolg, maar m.b.t. de overige bestanddelen (: ‘terwijl hij had moeten weten’, ‘terwijl hij ernstige reden had om te vermoeden’, ‘onachtzaamheid’, ‘gebrek aan de nodige omzichtigheid of voorzorg’)
Aan deze ‘overige’ culpose delicten wordt hier verder geen aandacht besteed.

Culpose gevolgsdelicten (bijvoorbeeld dood door schuld) veronderstellen een verkeerde, niet nader aangeduide, gedraging die achterwege had moeten blijven, maar die door een psychisch manco niet achterwege is gebleven. Als, terugredenerend van het gevolg naar de oorzaak, de oorzaak blijkt te bestaan uit een gedraging (een complex van doen en/of nalaten) die duidt op een ‘aanmerkelijke mate van onvoorzichtigheid die verwijtbaar is’, dan is er sprake van (op het gevolg betrokken) culpa.
Culpa is een normatief (en dus – i.t.t. opzet – geen kleurloos) begrip, dat volgens de HR wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid impliceert.
Anders gezegd: culpa impliceert dat er sprake is van verwijtbaar gedrag (een schulduitsluitingsgrond kan dus disculperen). Culpa impliceert voorts dat er sprake is van ‘verkeerd’ gedrag (een rechtvaardigingsgrond kan dus eveneens disculperen).

Enkele aandachtspunten

-                      Medeschuld disculpeert niet (vgl. het ‘verpleegsterarrest’, NJ 1963/512, laatste overweging).
-                      Voor (gevolg)schuld is ‘aanmerkelijke’ onvoorzichtigheid nodig (anders gezegd: er moet sprake zijn van ‘culpa lata’. Culpa levis is onvoldoende). De aanmerkelijkheid van de schuld moet blijken uit de aard en de ernst van de gedragingen/overtredingen en uit de omstandigheden van het geval. De aard van de gevolgen mag daarbij geen rol spelen (vgl. ook de ‘aanmerkelijke kans’ bij voorwaardelijk opzet: ook die moet blijken uit de omstandigheden van het geval in combinatie met ervaringsregels. En ook daarbij mag de aard van de gevolgen geen rol spelen). Zie m.n. HR 1 juni 2004 NJ 2005/252 (‘onvoldoende rechts rijden in Winssen’)
-                      De mate van verwijtbaarheid kan bij het vaststellen van schuld worden beschouwd als een correctiefactor. In concreto kan blijken dat het ontbreken van verwijtbaarheid bij nader inzien de (uit de omstandigheden van het geval voortvloeiende) conclusie niet kan dragen dat er sprake zou zijn van ‘aanmerkelijke mate van onvoorzichtigheid’ (zie HR J 2005/252).


Dat alles in schema:

Culpa:

Gevaarlijk gedrag, waarvan de dader kon en behoorde te voorzien dat dit gedrag tot een bepaald ongewenst gevolg kon leiden, en dat hij in beginsel * om die reden achterwege had behoren te laten (N.B.: op veel terreinen van het maatschappelijke leven is al in wet- en regelgeving ingevuld welk gedrag gevaarlijk is)
*terwijl er geen sprake is van geoorloofd risico
*terwijl er geen sprake is van een rechtvaardigingsgrond



(aanmerkelijke) onvoorzichtigheid
terwijl geen sprake is van een schulduitsluitingsgrond
Verwijtbaarheid


Het bovenstaande veronderstelt causaal verband tussen de onvoorzichtige gedraging en het gevolg: het schuldverband. Bij culpose gevolgsdelicten moet er dus altijd sprake zijn van ‘schuld aan het gevolg’.


In schema :

SCHULD ALS BESTANDDEEL (CULPA):
(gevolgschuld)

In geval van een culpoos gevolgsdelict betekent culpa: verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid (in de tll zal dat overigens veelal anders en niet met zoveel woorden tot uitdrukking worden gebracht). Er moet dus sprake zijn van:



I.  Onvoorzichtig gedrag ?


(In het vorige schema ‘gevaarlijke gedraging’ genoemd)

1.       Kon en behoorde de verdachte het (onwenselijke) gevolg van zijn gedraging te voorzien?
(N.B.: bij bewuste schuld voorziet de verdachte daadwerkelijk het mogelijke gevolg van zijn gedraging)

a.       JA indien een normaal mens het gevolg kon en behoorde te voorzien (Garantenstellung: sommigen kunnen en behoren méér te voorzien: verhoogde zorgplicht). De zgn. ‘subjectieve voorzienbaarheid’
of
b.       JA indien een concreet gedragsvoorschrift (bijvoorbeeld een wettelijk voorschrift, maar dat hoeft niet) is overtreden dat juist strekt ter voorkoming van het gevolg (vgl. de RVV). De zgn. ‘objectieve voorzienbaarheid’.
N.B. art. 5 WVW kan niet gelden als zo’n voorschrift, want het is daarvoor te weinig concreet.




2.       Was er (dus) ook de plicht om de gedraging achterwege te laten (wederrechtelijk)?

a.       NEE indien met de gedraging een geoorloofd risico werd genomen
of
b.       NEE indien er sprake was van een rechtvaardigingsgrond voor de gedraging

Als de vragen sub 1 en sub 2 bevestigend kunnen worden beantwoord, is er sprake van onvoorzichtig gedrag.





II. Verwijtbaarheid ?

Kon van de dader worden gevergd dat hij anders handelde ( e.e.a. ‘vermijdbaar’?)
NEE indien er sprake was van een schulduitsluitingsgrond

Als de desbetreffende vraag bevestigend kan worden beantwoord, is er sprake van verwijtbaarheid.





III. Aanmerkelijke mate ?

Is het verwijtbare onvoorzichtige gedrag van voldoende gewicht om ‘aanmerkelijk’ te kunnen worden genoemd?
Dit wordt afgeleid uit de aard en de ernst van de gedragingen (overtredingen) en de omstandigheden van het geval. Niet elke onvoorzichtigheid is voldoende voor culpa!!!)
(N.B.: de aard van de gevolgen is dus niet relevant voor de vraag of er sprake was van ‘aanmerkelijke’ onvoorzichtigheid.)

Als de desbetreffende vraag bevestigend kan worden beantwoord, is de verwijtbare onvoorzichtigheid aanmerkelijk.



IV. Causaal verband ?




Ten slotte moet het strafrechtelijk relevante causale verband nog worden aangetoond. Culpose gevolgsdelicten veronderstellen schuld aan het gevolg. Culpa vereist dan dus niet alleen (verwijtbare aanmerkelijke ) onvoorzichtigheid, maar ook causaal verband tussen de verboden gedraging en het gevolg: het zgn. schuldverband.

N.B.: Uit het schema blijkt, dat culpa wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid omvat. Als er sprake is van een culpoos gevolgsdelict, komen de rechtvaardigingsgronden en schulduitsluitingsgronden dus al bij de bewijsvraag aan de orde (een beroep op een strafuitsluitingsgrond heeft dan niet – zoals in ‘normale’ gevallen – tot gevolg dat van de wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid  die worden verondersteld als men een strafbaar feit heeft gepleegd, bij nader inzien geen sprake blijkt te zijn. Er zal dan vrijspraak volgen omdat de ten laste gelegde culpa niet kan worden bewezen).

1 opmerking:

  1. Top, bedankt hiervoor! Ik kan dit goed gebruiken bij mijn tentamen Strafrecht.

    BeantwoordenVerwijderen