dinsdag 21 mei 2013

De actoren en fasen van het strafproces

De fasen in het (Nederlandse) strafproces in grote lijnen

a.         de opsporing van strafbare feiten
b.         de vervolging van de eventuele verdachte(n)
c.         de berechting en veroordeling van de eventuele dader(s)
d.         de tenuitvoerlegging (executie) van de opgelegde sancties

Ad a. De opsporing

Hoe

Aanleiding:

Er kunnen verschillende redenen en aanleidingen zijn om een opsporingsonderzoek te starten. De aanleiding kan een verdenking zijn dat er een strafbaar feit is gepleegd, maar dat hoeft niet altijd. Soms zijn aanwijzingen dat er een strafbaar feit is of zal worden gepleegd, voldoende en soms is zelfs dat niet nodig. Denk maar even aan verkeers- en alcoholcontroles. Ook die kunnen worden beschouwd als opsporing van strafbare feiten, omdat ze vallen onder de nieuwe definitie van het begrip ‘opsporing’ van art. 132a Sv. Uit die definitie blijkt dat het opsporingsbegrip is ontdaan van het verdenkingsvereiste, d.w.z. dat de verdenking geen onderdeel meer uitmaakt van de definitie van opsporing. De verdenking is echter wel een voorwaarde om bepaalde opsporingsbevoegdheden te mogen toepassen. Daarmee is het verdenkingsvereiste dus verhuisd van de definitiesfeer naar de waarborgsfeer.

Maar dat alles neemt niet weg dat er ook tegenwoordig nog in het gros van de gevallen pas wordt gestart met een opsporingsonderzoek als er een verdenking rijst dat er een strafbaar feit is gepleegd. Andersom wil dat echter niet zeggen dat elke verdenking tot een opsporingsonderzoek leidt. Het eventuele strafbare feit moet ook van dien aard zijn dat opsporing en vervolging in de rede ligt (opportuun is). Om het meteen maar even duidelijk te stellen: diefstal van een luciferstokje is een strafbaar feit in de zin van art. 310 Sr, maar geen opsporingsambtenaar zal het in zijn hoofd halen om de zaak ‘op te helderen’. Dat zal evident zijn.

Maar er zijn ook tal van grensgevallen. Voor de vraag of de opsporing en vervolging van bepaalde delicten wel of niet hoge prioriteit hebben, is er beleid nodig. Zo zal het ene jaar het accent (wat betreft de bulkzaken) wat meer liggen op bijvoorbeeld huiselijk geweld, spijbelen, fietsendiefstal, en zal het andere jaar wat meer aandacht worden besteed aan woninginbraken, geweld op straat, belastingontduiking, etc.

Daarnaast is het zo dat bepaalde delicten alleen worden opgehelderd en vervolgd als het slachtoffer een klacht heeft ingediend: de zogenaamde ‘klachtdelicten’ (art. 164 Sv). Een voorbeeld daarvan is belediging. Dat misdrijf wordt in de regel alleen vervolgd op klacht van degene tegen wie de belediging was gericht (art. 269 Sr).

Maar om geen verkeerde indruk te wekken moet worden benadrukt dat ernstige delicten (levensdelicten, zedendelicten) natuurlijk altijd hoog op de prioriteitenlijsten staan en ook geen klachtdelicten zijn, aangezien daarmee niet alleen de slachtoffers worden getroffen maar ook de rechtsorde in het algemeen ernstig wordt geschokt. Een reden dus om van overheidswege een krachtig signaal af te geven dat dergelijk gedrag niet wordt geduld, dus nog afgezien van het leed dat het directe slachtoffer is aangedaan. En zelfs een reden om voor het toepassen van bepaalde opsporingsbevoegdheden m.b.t. dergelijke ernstige delicten niet altijd te eisen dat er sprake is van een verdenking.

Wanneer rijst er nu een verdenking dat er een strafbaar feit is gepleegd. Dat is het geval als er bijvoorbeeld aangifte is gedaan, of na een verkeerscontrole waarbij blijkt dat de bestuurder heeft gedronken, of waarbij de auto ernstige gebreken vertoont, of waarbij toevallig drugs of een geweer in de kofferbak wordt gevonden. Daarnaast bij ontdekking op heterdaad, bijvoorbeeld door een politieagent die loopt te surveilleren. Maar ook na een anonieme tip op ‘Meld misdaad anoniem’. En ga zo maar door.

Het is dus een misverstand dat de politie alleen maar in actie komt als er aangifte is gedaan. Dat de politie daar meestal op aandringt, houdt verband met het feit dat een aangifte een bepaalde bewijskracht heeft, zodat strafvervolging ten minste enige kans maakt. Dus ook als er enkel melding wordt gemaakt van een misdrijf (terwijl de melding niet voldoet aan de eisen die aan een officiële aangifte worden gesteld) dient de politie in actie te komen, in ieder geval als het een ernstig delict betreft.

Actie:
Als er een verdenking is, kan er ook al tevens een verdachte zijn, maar dat hoeft niet. Als er een verdachte is, bestaat het opsporingsonderzoek meestal uit het ondervragen van de verdachte, onderzoek (aan de kleding of voorwerpen die de verdachte bij zich heeft) voor de vaststelling van zijn identiteit; eventueel onderzoek aan de kleding en aan en in het lichaam of het verrichten van andere handelingen in het belang van het onderzoek, zoals onderzoek naar schot-resten, vingerafdrukken nemen, een Oslo-confrontatie of geur-indentificatieproef, en noem maar op (art. 61a Sv).

Als er nog geen verdachte is, zal het onderzoek zich in de eerste plaats concentreren op het vinden van de dader of daders, maar daarnaast natuurlijk ook op de vraag hoe alles precies in zijn werk is gegaan, en op het vinden van bewijsmateriaal. Dat kan door (technisch of tactisch) rechercheren, zoals het veilig stellen van sporen, getuigen ondervragen, buurtonderzoek verrichten, foto’s van/op het PD (plaats delict) maken, etc., teneinde de dader op te sporen en de zaak ook overigens ‘op te helderen’.

Opsporingsambtenaren kunnen ten behoeve van hun opsporingstaak gebruik maken van allerlei opsporingsbevoegdheden en zelfs van bepaalde dwangmiddelen (zoals doorzoeking van de woning, inbeslagneming, etc.) mits is voldaan aan bepaalde voorwaarden. Zoals het bestaan van een verdenking, of een vereiste machtiging of toestemming van een hogere functionaris. Dergelijke voorwaarden vormen de waarborgen dat de burgers niet te gemakkelijk worden lastig gevallen door overijverige overheidsfunctionarissen.
Andere ingrijpende (vrijheidsbeperkende en vrijheidsbenemende) ‘dwangmiddelen’ zijn: staande houden, aanhouden (arresteren), ophouden voor onderzoek (op het politiebureau, voor maximaal 6 (+ 9) uur), inverzekeringstelling (op het bureau, voor maximaal 2 x 3 dagen), bewaring (max. 14 dagen) en gevangenneming/houding (max. 90 dagen met verlenging onder bepaalde voorwaarden).

Voorts kunnen opsporingsambtenaren t.b.v. hun taken gebruik maken van bepaalde geweldsbevoegdheden (zoals het gebruik van een wapen) op grond van art. 7 Politiewet (nieuw) en de daarop gebaseerde ambtsinstructie. En daarnaast mogen ze personen uit veiligheidsoverwegingen fouilleren (de zgn. veiligheidsfouillering; zie art. 7 lid 3 Polw.), zelfs als de voorwaarden die normaalgesproken gelden (zoals aanhouding of staande houden), nog niet eens zijn vervuld.

Resultaten van het opsporingsonderzoek:
De opsporingsambtenaren dienen van hetgeen ze in het kader van de opsporing hebben verricht, alsmede van hun bevindingen, een proces verbaal op te maken (art. 152 Sv) en toe te sturen naar de OvJ (het OM) waarna de P-V’s in een dossier worden opgeborgen (tenminste als het OM ze voldoende relevant acht). Het OM beslist ook overigens wat er verder mee gebeurt.

Wie
Tot de opsporingsambtenaren worden gerekend:
-                      De officieren van justitie
-                      De reguliere politie (de ‘algemene opsporingsambtenaren’ van art. 141 Sv)
o   De reguliere politie staat, voor wat betreft de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, onder het gezag van het OM. In de praktijk is dat meestal een Officier van Justitie of een Hulpofficier van Justitie van het desbetreffende rechtsgebied (het zgn. arrondissementsparket). De Hulpofficier is eigenlijk een hoge politieambtenaar met de rang van ‘hulpofficier’.
o   De politie heeft voorts – naast de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde – taken op het gebied van de handhaving van de openbare orde en hulpverlening, en staat voor deze laatste twee taken onder het gezag van de burgemeester
o   Er is (sinds 1 januari 2015) één landelijk politiekorps met een landelijk eenheid (het voormalige KLPD) en enkele ondersteunende diensten en 11 regionale eenheden. De regionale eenheden komen territoriaal min of meer overeen met de elf arrondissementen van de nieuwe gerechtelijke kaart. Ze zijn verder onderverdeeld in territoriale onderdelen (ruim 40 districten en een kleine 170 ‘basisteams’).
-                      Naast de reguliere (politie)opsporingsambtenaren zijn er nog de Bijzondere Opsporingsdiensten (BOD’s). Dat zijn: de FIOD-ECD (van het ministerie van financiën), de SIOD (van het ministerie van SZW), de NVWA (van het ministerie van EZ en zijdelings: VWS) en de Inlichtingen en Opsporingsdienst (IOD) van het ministerie van I&M. Deze staan onder het gezag van het zgn. ‘Functionele parket’, eveneens een (landelijk) onderdeel van het OM.
-                      Voorts zijn er nog de (categorieën en individuele) ‘Buitengewone opsporingsambtenaren’ van art. 142 Sv (BOA’s). Zij hebben een beperkte opsporingstaak en beperkte opsporingsbevoegdheden. Het zijn vaak bestuursrechtelijke toezichthouders met enkele opsporingstaken. Bijvoorbeeld: controleurs openbaar vervoer, leerplichtambtenaren, etc.



Ad b. De vervolging

Hoe

Het Openbaar Ministerie (de desbetreffende (hoofd)officier van justitie) beslist op grond van de P-V’s van de opsporingsambtenaren en de andere stukken, of hij zal vervolgen – dat wil onder meer zeggen: de rechter in de zaak betrekken – of niet. 
De Officier van Justitie wordt wel Dominus Litis genoemd: de heer van het geding. Hij bepaalt wat er op de zitting wordt gebracht en waarover de rechters dus zullen moeten beraadslagen en beslissen. Dit recht om al dan niet te vervolgen vloeit voort uit het zgn. opportuniteitsbeginsel zoals wij dat in Nederland kennen. Dat gaat erg ver. De rechter is strikt gebonden aan de inhoud van de tenlastelegging. Dat wordt ook wel tirannie van de tenlastelegging genoemd. Wel zijn de scherpe kantjes daarvan in de loop van de tijd enigszins bijgeslepen. O.a. door de beklagregeling van art. 12 Sv, die belanghebbenden een mogelijkheid biedt om (met name) een beslissing om de verdachte niet te vervolgen, aan te vechten bij het gerechtshof.

Als het OM besluit niet (verder) te vervolgen, zal het de zaak seponeren. Daarbij kan het gaan om een technisch sepot of om een beleidssepot (dat laatste aan de hand van bepaalde criteria die daarvoor zijn opgesteld). In bepaalde gevallen moet het OM de verdachte expliciet op de hoogte brengen van zijn beslissing de verdachte wel of niet verder te vervolgen.

Het OM kan ook voorwaardelijk seponeren. Dat wil zeggen dat de verdachte niet verder wordt vervolgd mits hij voldoet aan bepaalde voorwaarden.
In het kader van het uitoefenen van hun taak, waartoe ook de opsporing van strafbare feiten behoort, zijn de leden van het OM eveneens bevoegd bepaalde opsporingsbevoegdheden uit te oefenen en dwangmiddelen toe te passen. Daarnaast hebben ze het gezag over de opsporingsambtenaren (hetgeen alleen in grote zaken betekent dat ze zich daadwerkelijk met de opsporing bemoeien) en zijn ze verantwoordelijk voor het dossier (wat is relevant en moet er in, wat kan er uit) en voor het verzamelen van bewijsmateriaal, het inschakelen en/of oproepen van getuigen en deskundigen, etc.

Er is een nieuwe wet (kortweg: de wet OM-afdoening) in werking getreden die het mogelijk maakt dat het OM, of namens het OM de politie of bepaalde bestuursorganen, bepaalde bagateldelicten buitengerechtelijk af doet. De verdachte kan daartegen in verzet gaan bij het OM (een soort beklagmogelijkheid). Als de verdachte in verzet gaat, wordt de zaak alsnog op de ‘normale’ manier aan de rechter voorgelegd, tenzij het OM besluit de strafbeschikking in te trekken of te wijzigen.
Deze OM-afdoening (de zgn. ‘strafbeschikking’) komt in de plaats van de transactie (schikking), waarmee ook het consensuele karakter van de transactie (grotendeels) verdwijnt. Deze buitengerechtelijke afdoening wordt ook ‘vervolging’ genoemd, zodat voor vervolging niet altijd meer is vereist dat er een rechter in de zaak wordt betrokken (zoals zo-even al bleek was dat tot nu toe de definitie van ‘vervolging’)

Wie

De leden van het OM behoren tot de rechtelijke macht. Ze worden ook wel de ‘staande magistratuur’ genoemd, omdat ze altijd staande de zaak bij de rechtbank voordragen en staande requireren (straf vorderen). De leden van het OM worden dus verondersteld zich ‘magistratelijk’ (neutraal, onpartijdig, onbevooroordeeld) op te stellen, dus zowel oog te hebben voor belastend als ontlastend bewijs, en zowel oog te hebben voor de belangen en de rechten van de verdachte als voor het belang van de samenleving om plegers van strafbare feiten te bestraffen. Die onpartijdigheid kan soms leiden tot een vordering tot vrijspraak omdat het OM bij nader inzien het bewijs bijvoorbeeld ontoereikend acht. Aan de andere kant moet de eis van onpartijdigheid met een korreltje zout worden genomen. Er zijn onder de leden van het OM echte crime-fighters bij wie de ‘magistratelijkheid’ ver te zoeken is.

Het OM is per rechtsgebied van een rechtbank (arrondissement) organisatorisch ondergebracht in een arrondissementsparket en voorheen per rechtsgebied van een gerechtshof (ressort) in een ressortparket. Tegenwoordig is er nog maar één landelijk ressortparket, met onderafdelingen per rechtsgebied van de gerechtshoven.
Leden van het OM van een arrondissementsparket heten Officieren van Justitie; en leden van het OM van het ressortparket heten Advocaten Generaal.
Er zijn binnen een parket verschillende rangen en specialismen.
Voorts worden de taken er i.h.a. ook ‘territoriaal’ verdeeld.
De parketten worden juridisch en administratief ondersteund door een secretariaat en stafmedewerkers, aan wie verschillende bevoegdheden mogen worden gemandateerd.

Voorts is er – zoals we al zagen – nog een (landelijk) ‘functioneel parket’, dat criminaliteit op het gebied van milieu, economie en fraude bestrijdt en dat de BOD’s op dat terrein aanstuurt (en er ook het gezag over uitoefent).
Daarnaast is er een ‘landelijk parket’ voor de regio-overschrijdende bestrijding en opsporing van (internationaal) georganiseerde misdaad.

Het OM wordt geleid door het ‘College van Procureurs Generaal’, een soort tussenlaag tussen de Minister van Justitie (die politiek verantwoordelijk is voor het OM) en de uitvoerende eenheden van het OM. Het college van P-G’s bepaalt het beleid van het OM. Het college van P-G’s vormt samen met zijn staf het zgn. ‘Parket Generaal’.
Het OM-beleid wordt vorm gegeven in aanwijzingen (beleidsregels omtrent de uitoefening van taken en bevoegdheden, bijvoorbeeld op het gebied van de opsporing) en richtlijnen (dwingende regels over bijv. strafbeschikkingen of eisen ter zitting: het puntensysteem van Bos-polaris).

Ad c. De berechting en veroordeling van de dader

Hoe

De rechtbank onderzoekt op de grondslag van de tenlastelegging (datgene waarvan de verdachte door het OM wordt beschuldigd) en naar aanleiding van hetgeen er op het onderzoek ter terechtzitting is voorgevallen, of het ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard, en zo ja, of dat een ‘strafbaar feit’ oplevert (dus of het feit voldoet aan de delictsomschrijving die het OM op het oog heeft). Als dat het geval is, zal de rechtbank (mits er geen sprake is van een strafuitsluitingsgrond) de dader kunnen veroordelen en een sanctie opleggen. Daartegen kan de verdachte beroep instellen bij het gerechtshof en daarna eventueel nog beroep in cassatie bij de Hoge Raad.

Wie

De rechterlijke macht bestaat (sinds kort) uit:

11 rechtbanken. Deze bestrijken elk een rechtsgebied (arrondissement). Ze bestaan uit verschillende sectoren, waaronder de strafsector, die weer zijn onderverdeeld in verschillende meervoudige kamers (meerdere rechters) of enkelvoudige kamers (één rechter: een unus). Vgl.: de economische strafkamer, de politierechter (eenvoudige zaken waarvoor maximaal 1 jaar gevangenisstraf is geëist), de kinderrechter, etc. De sector kanton (de kantonrechter) berecht op strafrechtelijk gebied (globaal gesproken) alleen overtredingen.
De uitspraak van een rechtbank wordt ‘vonnis’ genoemd.

Er zijn 4 gerechtshoven, die globaal gesproken strafzaken in hoger beroep van rechtbankvonnissen behandelen (en voorts de beklagzaken van art. 12 Sv). Zij bestrijken eveneens een bepaald rechtsgebied, dat bestaat uit verschillende arrondissementen, en dat ‘ressort’ heet. De rechters van de hoven worden ‘raadsheren’ genoemd (ook de vrouwelijke rechters).
De hoven kennen eveneens verschillende sectoren – waaronder de strafsector – en tevens verschillende (enkelvoudige en meervoudige) kamers. Sommige hoven kennen, als enige, bepaalde bijzondere kamers. Vgl. de penitentiaire kamer en de militaire kamer van het Hof Arnhem.
Het Hof Arhem (onlangs samengegaan met het Hof Leeuwarden) is de hoogste instantie voor lichte verkeersdelicten die administratiefrechtelijk zijn afgedaan (WAHV).
De uitspraak van een hof wordt ‘arrest’ genoemd.

De Hoge raad.
De verdachte kan bij de HR beroep in cassatie instellen van een arrest van een hof (of soms van een vonnis van een rechtbank).
De HR oordeelt in dat geval niet over de feiten (dat wordt aan de rechtbanken en de hoven overgelaten: de zgn. ‘feitenrechters’). De HR houdt zich alleen bezig met de vraag of het recht op de juiste wijze is toegepast, en de einduitspraken van de feitenrechter niet onbegrijpelijk zijn, dat wil zeggen: toereikend zijn gemotiveerd en goed en op de juiste manier zijn onderbouwd.
Om een te groot aanbod van kansloze cassatieberoepen enigszins in te dammen, zijn er bepaalde drempels opgeworpen, zoals het vereiste van cassatieschrifturen en voorts de mogelijkheid van art. 81 en art. 80a RO: als het cassatieberoep bijvoorbeeld niet bijdraagt aan de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling, of onmogelijk tot cassatie (vernietiging) kan leiden, kan de HR het cassatieberoep zonder nadere onderbouwing verwerpen. De betrokkenen kunnen uit de ‘conclusie’ van de Procureur-Generaal of Advocaat-Generaal bij de HR (dat is een soort rechtsgeleerd advies aan de HR door genoemde functionarissen die deel uitmaken van de Hoge Raad) dan meestal wel afleiden waarom het cassatieberoep werd verworpen, want de HR heeft in dergelijke gevallen conform de conclusie beslist.
Als de HR een arrest/vonnis vernietigt (casseert), wordt de zaak teruggewezen naar hetzelfde hof of verwezen naar een ander hof, om opnieuw te worden berecht met in achtneming van de uitspraak van de HR. Soms doet de HR de zaak zelf ambtshalve af, bijvoorbeeld als er slechts één bepaalde uitspraak mogelijk is en de zaak dus niet opnieuw hoeft te worden voorgelegd aan de feitenrechter.
Bij hoge uitzondering zijn er naast de gewone rechtsmiddelen ‘hoger beroep’ en ‘beroep in cassatie’ nog buitengewone rechtsmiddelen mogelijk als een vonnis/arrest al onherroepelijk is geworden: ‘cassatie in het belang van de wet’ en een ‘verzoek tot herziening’. Ook daarover dient de HR dan een beslissing te nemen.

Binnen de rechterlijke macht bestaat er eveneens een streven om een zekere eenheid aan te brengen in het straftoemetingsbeleid (vgl. de richtlijnen van het OM). Daartoe wordt o.a. gebruik gemaakt van zgn. ‘oriëntatiepunten’ (van het LOVS, het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht) en de ‘Databank Consistente Straftoemeting’: dat betreft gevalsvergelijking m.b.t. ernstige delicten. Uit beide instrumenten kan worden afgeleid welke straf in vergelijkbare gevallen wordt opgelegd.

Er is een Raad voor de Rechtspraak (RvdR), die – evenals het college van P-G’s voor het OM – de schakel vormt tussen de Minister van Justitie en Rechterlijke Macht, zij het dat de rechterlijke macht – i.t.t. het OM – niet politiek kan worden gestuurd (onafhankelijk). De RvdR behartigt gemeenschappelijke belangen, zorgt voor speciale voorzieningen en aanwijzingen op het gebied van bedrijfsvoering, en is woordvoerder van de rechterlijke macht in het politieke en maatschappelijke debat over allerlei ontwikkelingen en nieuwe inzichten.

Ad d. De executie (tenuitvoerlegging) van de opgelegde sancties.

Binnenkort komt de uitvoering van de strafrechtelijke sancties in handen van de minister c.q. het ministerie van VenJ. Tot het zover is, is het OM daarvoor verantwooordelijk, daarbij terzijde gestaan door diverse functionarissen, instanties en organisaties. Zoals voor het incasseren van ‘boetes’: het Centraal Justitieel Incassobureau: het CJIB. Daarnaast de Dienst Justitiële Inrichtingen, de DJI, die is belast met het uitvoeren van vrijheidbenemende straffen en maatregelen namens het Ministerie van Justitie. Voorts is er nog de Raad voor de strafrechtstoepassing en jeugdbescherming (de RSJ. Deze draagt er door middel van advies en rechtspraak toe bij dat de uitvoeringsorganen voldoende oog houden voor de beginselen van een goede bejegening, alsmede voor de rechtspositie van diegenen die in het kader van de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen – en de bescherming van jeugdigen – aan de verantwoordelijkheid van de overheid zijn toevertrouwd; daarnaast is de RSJ ‘beroepsrechter’ bij wie door gedetineerden beroep kan worden aangetekend tegen bepaalde beslissingen). Voorts kan nog worden gewezen op de commissies van toezicht, de beklagcommissies en de beroepscommissies (vgl. de RSJ) binnen de penitentiaire inrichtingen. En niet te vergeten de directeuren van de diverse inrichtingen. Verder zijn er nog tal van andere functionarissen, organisaties en instellingen die een rol vervullen in het kader van, of in het verlengde van de executie van straffen en maatregelen. Zoals de selectiefunctionarissen, de Centrale Voorziening Voorwaardelijke Invrijheidsstelling, de Raad voor de Kinderbescherming, de Reclassering, de (gezins-)voogdij-instellingen en de Jeugdreclassering, de Haltbureaus, de bureaus Slachtofferhulp, het Schadefonds Geweldsmisdrijven, etc., etc.
Kortom: in de praktijk heeft het OM slechts zijdelings bemoeienis met de feitelijke tenuitvoerlegging van sancties.


Overige actoren

n    De advocaat: staat de verdachte in verschillende fasen van het strafproces bij. Hij kan zelfs als gevolmachtigde optreden. Hij houdt in de gaten of alle waarborgen en de rechten van de verdachte voldoende in acht worden genomen. In bepaalde gevallen (en fasen) wordt een advocaat rechtens toegevoegd aan de verdachte, o.a. in het kader van een inverzekeringstelling.
n    Getuigen: moeten – indien ze niet verschoningsgerechtigd zijn – verschijnen als de rechter (de R-C of de zittingsrechter) ze doet oproepen. In het kader van het opsporingsonderzoek kunnen ze wel weigeren hun medewerking te verlenen.
n    Deskundigen: rapporteren over bepaalde vragen over complexe zaken die het OM, de verdediging of de rechters aan hen voorleggen.
n    Griffier: vervult de functie van secretaris van een gerecht (in feite zijn er verschillende rangen en taken). Notuleert hetgeen er op het OTT voorvalt, bereidt de zittingen voor en concipieert zelfs vonnissen.
n    Het slachtoffer: heeft tegenwoordig een wat betere positie in het strafproces dan voorheen. Bij voorkeur wordt voorafgaand aan een evt. strafproces getracht de dader te bewegen de schade die het slachtoffer heeft geleden, te vergoeden. Daarbij wordt i.h.a. bemiddeld door de politie. Als dat niet lukt, kan het slachtoffer zich als ‘benadeelde partij’ met een (eenvoudige) vordering tot schadevergoeding voegen in het strafproces (de dader kan dan worden veroordeeld tot het vergoeden van de schade en/of kan dan een schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd). Daarnaast wordt ook op andere terreinen serieus werk gemaakt van de belangen van het slachtoffer in het kader van het strafproces, zoals het recht om op de zitting zijn verhaal te doen (spreekrecht). Vgl. bijv. ook het schadefonds geweldsmisdrijven.
n    De verdachte: is degene jegens wie, op grond van concrete feiten en omstandigheden, een redelijk vermoeden bestaat dat hij eens strafbaar feit heeft gepleegd (art. 27 Sv). Als er sprake is van een verdachte, kunnen opsporingsambtenaren bepaalde bijzondere dwangmiddelen toepassen, zoals bijvoorbeeld de aanhouding bij (en soms buiten) heterdaad. Aan de andere kant gaan dan bepaalde rechten van de verdachte gelden, zoals het zwijgrecht (art. 29 Sv) en het recht om een advocaat in te schakelen. Zo heeft de verdachte tegenwoordig het recht om nog voor het eerste politieverhoor zijn advocaat te raadplegen.

Wet- en regelgeving

Het wetboek van strafrecht bevat het zgn. ‘materiële strafrecht (de delictsomschrijvingen en de strafbaarstellingen en allerlei algemene rechtsfiguren die daarmee in verband staan, zoals de ‘poging’ de ‘samenloopregels’, de deelnemingsvormen zoals ‘uitlokking’ etc).
In boek 1 zijn de algemene bepalingen opgenomen, die in beginsel ook voor de bijzondere strafwetten gelden, in boek 2 de misdrijven, en in boek 3 de overtredingen.

Daarnaast kent ons recht diverse bijzondere (straf)wetten, zoals de Opiumwet, de Wet wapens en munitie, de Wegenverkeerswet, de Wet op de economische delicten, en voorts tal van ordeningswetten.
Ook spelen in ons straf(proces)recht de rechtstreeks (en ook indirect) werkende bepalingen van verdragen een belangrijke rol, zoals het EVRM en het EU-verdrag.

In het strafprocesrecht, dat in hoofdlijnen is ondergebracht in het Wetboek van Strafvordering, wordt geregeld hoe het materiële strafrecht tot gelding kan worden gebracht en aan welke voorwaarden daarbij moet worden voldaan (bewijsrecht, zittingsvoorschriften, waarborgen, etc.). Ook wat betreft het strafprocesrecht geldt dat in bijzondere wetten (zoals de WED) afwijkende regels kunnen gelden, bijvoorbeeld wat betreft het uitoefenen van bevoegdheden en het toepassen van dwangmiddelen.

4 opmerkingen:

  1. Mooi stuk! Je ziet steeds vaker dat er preventief wordt gehandeld op misdaden door goed geplaatste camera's. Zo zie je nu ook op tv programma dat er vanuit de meldkamer van de politie op de camerabeelden worden gelet om snel op de situatie aanwezig te kunnen zijn en de misdadigers op te pakken.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. 'misdadigers': verdachten...

    BeantwoordenVerwijderen