maandag 21 november 2011

Art. 359a Sv in schema

Art. 359a Sv
De mogelijke strafprocesrechtelijke consequenties van vormverzuimen in het strafrechtelijke vooronderzoek (geactualiseerd 2013)

Vooraf:
De wetgever heeft er met art. 359a Sv (uiteindelijk) voor gekozen een wettelijke mogelijkheid te creëren om aan vormverzuimen in het strafrechtelijke vooronderzoek strafprocesrechtelijke ‘sancties’ te verbinden. Dat is niet vanzelfsprekend. De wetgever had er bijvoorbeeld ook voor kunnen kiezen eventuele vormverzuimen af te straffen via ‘tuchtrechtelijke sancties’, die alleen de ‘overtreders’ zouden raken, en daarmee niet in de weg zouden staan aan de materiële waarheidsvinding in het strafproces. Maar met het oog op de rechtsstaatgedachte en uit oogpunt van de geloofwaardigheid van de strafrechtspleging (en in dat verband het ‘reparatie-argument’, het ‘demonstratie-argument’ en ‘effectiviteits-argument’ die kort gezegd inhouden dat de overheid niet mag profiteren van schendingen van de ‘rule of law’) is gekozen voor strafprocesrechtelijke sancties.
Art. 359a Sv is het uitvloeisel van de jurisprudentie m.b.t. de vraag: ‘wat is rechtens als in het vooronderzoek vormvoorschriften (zoals bewijsvergaringsregels) zijn geschonden’. Art. 359a kent verschillende sancties. Aan de rechter wordt in beginsel overgelaten welke sanctie hij passend vindt, gelet op de omstandigheden van het geval en de criteria zoals verwoord in art. 359a, lid 1 en 2. In de loop van de tijd heeft zich een lijn afgetekend in de jurisprudentie m.b.t. de vraag in welke gevallen welke sancties op hun plaats zijn. De discussies daarover zijn uiteindelijk uitgekristalliseerd in het arrest ‘Loze Hashpijp’ (HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376) waarin de HR een ‘lesje art. 359a’ ten beste geeft. We dienen sindsdien dus uit te gaan van de ‘regels’ als geformuleerd in het arrest Loze Hashpijp’, die hieronder in 10 punten kort worden weergegeven.

1.                  Art 359a heeft uitsluitend betrekking op vormverzuimen in het vooronderzoek tegen de verdachte, terzake van het aan hem ten laste gelegde feit.
2.                  Art. 359a is niet van toepassing op vormverzuimen met betrekking tot vrijheidsbenemende dwangmiddelen in het vooronderzoek (voorarrest) die aan het toezicht van de R-C kunnen worden onderworpen (vgl. art. 59a Sv).  Er is overigens volgens sommigen wel sprake van een zekere ongerijmdheid in de discrepantie tussen de sancties op grond van art. 59a en de sancties op grond van art. 359a. Zo kan de rechter die op grond van art. 59a Sv de rechtmatigheid van een inverzekeringstelling toetst, bij onregelmatigheden alleen maar bevelen de verdachte vrij te laten. Bewijsuitsluiting en strafreductie zijn dan bijvoorbeeld niet mogelijk, terwijl iemand die onrechtmatig in verzekering heeft gezeten, maar kort voor de rechtmatigheidstoets is vrij gelaten, wel een beroep kan doen op art. 359a Sv. Echter, aangenomen moet worden dat ernstige ongeregeldheden die ertoe hebben geleid dat de R-C (op grond van art. 59a Sv) de inverzekeringstelling als onrechtmatig heeft beoordeeld en de verdachte in vrijheid heeft gesteld, tevens kunnen leiden tot sancties op grond van art. 359a Sv. Zo is denkbaar dat het gebruik van buitensporig geweld bij de aanhouding van de verdachte niet alleen leidt tot diens vrijlating op grond van art. 59a Sv, maar mogelijk ook tot een sanctie op grond van art. 359a Sv (mocht de verdachte uiteindelijk worden berecht). Overigens staat het onrechtmatig verklaren van de inverzekeringstelling (door de R-C op grond van art. 59a Sv) er niet aan in de weg dat meteen daarna bewaring of gevangenneming kan worden bevolen als is voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden.
3.                  Art. 359a heeft ook overigens uitsluitend betrekking op vormverzuimen die niet zijn of kunnen worden hersteld, dan wel: waaraan de wet geen ander rechtsgevolg verbindt.
4.                  Het Schutznorm-beginsel staat centraal! Als de verdachte niet zelf (maar een ander) is getroffen in een (verdedigings)belang dat door het geschonden vormvoorschrift wordt beschermd, dan zal er in de regel geen rechtsgevolg (in de zin van art. 359a) behoeven te worden verbonden aan het verzuim. Uitzondering: het Schutznormbeginsel geldt niet voor schending van het beroepsmatig verschoningsrecht, schending van de soevereiniteit van het land; schending van het pressieverbod.
5.                  Kortom: een vormverzuim in het vooronderzoek hoeft niet steeds te leiden tot een sanctie ex art. 359a Sv.
6.                  De rechter kan daarnaast – i.g.v. een vormverzuim in het vooronderzoek – onder omstandigheden volstaan met de vaststelling, dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan. Óf de rechter daarmee kan volstaan, hangt af van de afweging en waardering van de hierboven uiteengezette beoordelingsfactoren en de criteria die zijn te ontlenen aan art. 359a, lid 1(zie hieronder a,b en c) en factoren van lid 2: het belang dat met het geschonden voorschrift wordt gediend; de ernst van het verzuim; de aard van het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt (onder nadeel moet worden verstaan: schending van het recht op een eerlijk proces, schending van de privacy, schending van de lichamelijke integriteit, etc.).
7.                  Als de rechter van oordeel is dat niet kan worden volstaan met een ‘vaststelling’, dan kan de rechter kiezen uit de drie sancties van art. 359a, lid 1, aan de hand van de hieronder opgesomde criteria. Let wel: voor elk van deze drie sancties geldt, dat het Schutznorm-beginsel het overkoepelende criterium vormt, ook al wordt dat niet steeds met zoveel woorden tot uitdrukking gebracht.

a.      Strafvermindering
-                      als aannemelijk is dat de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden
-                      en dit nadeel is veroorzaakt door het verzuim (de causaliteit)
-                      het nadeel voorts geschikt is voor compensatie d.m.v. strafvermindering
-                      en de strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is

b.      Bewijsuitsluiting
-                      Als het bewijs door het verzuim is verkregen (de causaliteit)
-                      én door de onrechtmatige bewijsvergaring een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden

c.       Niet ontvankelijkheid van het OM
-                      Alleen als met het vormverzuim een ernstige inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde
-                      én daardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan
(vgl. het Zwolsman-criterium. Het zgn. Karman-criterium – zeer fundamentele inbreuken waardoor het belang van de verdachte niet wordt geschaad, maar wel het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt – lijkt in het licht van art. 359a dus  geen doorslaggevende meer rol te spelen)

Tendens:
De tendens is dat voor bewijsuitsluiting wordt gekozen als door het veronachtzamen van fundamentele rechten van de verdachte het vereiste van een eerlijk proces (en in verband daarmee de verdedigingsbelangen van de verdachte) met voeten worden getreden. Vgl. het niet in acht nemen van het zwijgrecht, ondervragingsrecht van de verdachte, het recht op bijstand van een advocaat, etc.

Als het veronachtzamen van fundamentele rechten van de verdachte op zichzelf geen afbreuk doet aan het recht op een eerlijk proces, wordt eerder gekozen voor strafvermindering ( afhankelijk van de ernst van de schending). Vgl. het veronachtzamen van het recht op privacy, het huisrecht, etc.

De HR heeft daartoe inmiddels criteria ontwikkeld in HR 19 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY5321; NJ 2013/308): Criteria voor toepassing van bewijsuitsluiting  ex 359a Sv:

Bewijsuitsluiting o.g.v. art. 359a is alleen aan de orde als door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden (vgl. Loze Hashpijp),

en mits er sprake is van één van de volgende gevallen:

a.
Als met de onrechtmatige bewijsgaring het recht op een eerlijk proces is geschonden.
Voorbeeld:
schending van het recht op rechtsbijstand bij politieverhoor.

b.
Een ander belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden en bewijsuitsluiting een noodzakelijk middel is om vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst te voorkomen.
Voorbeelden:
een zeer ingrijpende inbreuk op een grondrecht, zoals een lijfvisitatie zonder toereikende wettelijke grondslag. Voorts: een schending van het professioneel verschoningsrecht.

c.
Uitzonderlijke situaties waarin (uit objectieve - door de verdediging aan te voeren en te onderbouwen, en door de rechter te onderzoeken - gegevens) blijkt van vormverzuimen met een structureel karakter, zonder dat de verantwoordelijke autoriteiten zich voldoende hebben ingespannen om overtredingen van het desbetreffende voorschrift te voorkomen
Voorbeeld:
het stelselmatig verstrekken van blanco machtigingen tot binnentreden.


Bij de categorieën vormverzuimen onder b en c zal de 'normerende werking' van de bewijsuitsluiting kunnen (b) respectievelijk moeten (c) worden afgewogen tegen de mogelijk negatieve effecten daarvan.

Zoals:
afbreuk aan de waarheidsvinding en de bestraffing van de dader, de consequenties voor het slachtoffer, etc.


Voor niet-ontvankelijkheid is een (zeer) ernstige inbreuk nodig op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust (of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte) tekort is gedaan aan diens recht op een eerlijk proces. 
Let wel: niet-ontvankelijkheid is ook mogelijk op andere gronden dan enkel vanwege een ernstig vormverzuim. 
Vgl.: http://nicokwakman.blogspot.nl/2013/09/het-beslissingsmodel-van-art-348-en-350.html
 
8                    De rechter dient zijn beslissing ex art. 359a te motiveren aan de hand van de hierboven uiteengezette criteria
9                    Een beroep van de verdediging op een vormverzuim in de zin van art. 359a dient eveneens ‘uitdrukkelijk’ te worden onderbouwd (gemotiveerd) aan de hand van de hierboven uiteengezette criteria
10                Als de rechter van oordeel is, dat een beroep op een vormverzuim, ook al zou dat gegrond zijn, niet tot een sanctie ex art. 359a kán leiden, dan wel: hooguit zou kunnen leiden tot de enkele vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan (en de rechter dat oordeel ook in zijn beslissing tot uitdrukking brengt), dan hoeft hij geen onderzoek te verrichten naar de juistheid van de feiten waarop het verweer is gebaseerd.



Checklist

Betreft het een vormverzuim in het vooronderzoek,
-           dat betrekking had op het feit waarvoor verdachte wordt vervolgd,
-           dat onherstelbaar is
-           en/of niet aan de R-C kon worden voorgelegd o.g.v. art. 59a Sv
-           en waarvan de rechtgevolgen niet blijken uit de wet?

Causaliteit?
(tussen het vormverzuim en het verkregen bewijs, etc.) 
Het vormverzuim moet de relevante veroorzakende (d.w.z. de doorslaggevende) factor zijn. Condicio sine qua non is dus niet voldoende. Als een verdachte onrechtmatig in verzekering is gesteld en tijdens het verhoor bekent terwijl hij ook had kunnen zwijgen, is de bekennende verklaring geen rechtstreeks gevolg van de onrechtmatige inverzekeringstelling. Dergelijke ‘fruits of the poisonous tree’ hoeven als zodanig dus niet altijd tot bewijsuitsluiting of een andere sanctie in de zin van art. 359a Sv te leiden.

Schutznormbeginsel: verdachte zelf getroffen in een belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen?
(Geldt niet voor schending van het beroepsmatig verschoningsrecht, schending van de soevereiniteit; schending van het pressieverbod)

Factoren lid 2 ?
(Belang van het geschonden voorschrift, ernst van het verzuim, aard van de schade)

Factoren lid 1?           
(Uitwerking door HR lid 2. Zie de zo-even besproken criteria m.b.t. de drie mogelijke sancties: strafvermindering, bewijsuitsluiting, niet-ontvankelijkheid OM)

Verweer ?      
(Uitdrukkelijk onderbouwd? D.w.z.: deugdelijke argumentatie, waarin aandacht is besteed aan de bovengenoemde criteria van lid 1 en 2,  met een ondubbelzinnige conclusie? Vgl. ook 359-2-2e Sv)

Evt. verwerping ?      
(Als het  uitdrukkelijk onderbouwd verweer wordt verworpen, moet de verwerping expliciet en gemotiveerd in het vonnis worden opgenomen. Dus indien het verweer NIET uitdrukkelijk is onderbouwd, of als de rechter het verweer WEL honoreert: geen gemotiveerde beslissing ter zake van het verweer nodig).

N.B.:  Ambtshalve opleggen van een sanctie is ook mogelijk (dus zonder dat er een verweer wordt gevoerd). Die beslissing zal dan - als gebruikelijk - met redenen moeten worden omkleed (gemotiveerd), mede aan de hand van de factoren van lid 1 en 2.

De aanhouding en het voorarrest in schema


1.             AANHOUDING:
a.             I.g.v. heterdaad (‘heterdaad’ is een rekbaar begrip): art. 53
Door burgers (bijv. medewerkers van een particulier beveiligingsbedrijf): verdachte wordt medegedeeld dat hij is aangehouden en, (evt. met ‘gepast geweld’ en/of na achtervolging en/of ‘binnentreding’) in zijn kraag gevat en ‘vastgezet’ totdat de politie arriveert. Evt. bewijsmateriaal wordt in beslag genomen. De politie wordt zo spoedig mogelijk gebeld. Zodra die arriveert wordt de verdachte (en het evt. in beslag genomene) overgedragen. Zie verder hieronder.
Door opsporingsambtenaren: verdachte wordt medegedeeld dat hij is aangehouden (zo nodig: ‘in zijn kraag gevat’ met ‘gepast geweld en/of na ‘binnentreden’ en/of fouillering en/of ‘inbeslagneming’) en vervolgens ‘onverwijld’ (rekbaar begrip) overgebracht naar het politiebureau ter voorgeleiding. Er is niets op tegen de verdachte tijdens de ‘overbrenging’ alvast te verhoren, mits de cautie is gegeven. N.B.: tegenwoordig wel rekening houden met 'Salduz'.

b.             Buiten heterdaad: art. 54
Door opsporingsambtenaren na telefonisch contact met (‘op bevel van’) de OvJ die piketdienst heeft. (Alleen aanhouding buiten heterdaad als voor het strafbare feit voorlopige hechtenis is toegestaan).

2.             VOORGELEIDING:
De verdachte wordt op het politiebureau onverwijld voorgeleid aan de (hulp)OvJ.
Deze kan/moet één van de volgende beslissingen nemen (art. 61): onmiddellijk in vrijheid stellen, in verzekering stellen, of ophouden voor onderzoek (zie voorwaarden). In de laatste twee gevallen wordt de verdachte onderworpen aan een onderzoek door opsporingsambtenaren (verhoor, confrontaties, etc.).

N.B.: als onderzoek nog niet direct nodig lijkt, kan worden volstaan met staande houden (art. 52)

3.             VOORARREST

Het VOORARREST in schema

Voorarrest


Ophouden voor onderzoek;
Op bevel van de (hulp)OvJ
(art. 61)
Rechtsbijstand: piketadvocaat (voor het eerste politieverhoor; zie verder ‘Salduz-regeling’).
Max. 6 u. (+ evt. 9 u.).
Indien geen voorlopige hechtenis mogelijk is (en dus geen inverzekeringstelling): verlenging mogelijk met max. 6 u. t.b.v. identificatie.
Voorarrest
Preventieve
hechtenis

Inverzekeringstelling (art. 57 e.v.)
Op bevel van de (hulp)OvJ.
Rechtmatigheidstoets:
door R-C, binnen 3 dgn. en 15 u. na aanhouding (art. 59a).
Rechtsbijstand: piketadvocaat (art. 40).
Max 3 dgn.
Door de OvJ te verlengen met max. 3 dgn. (58-2).
Voorarrest
Preventieve
hechtenis
Voorlopige
Hechtenis
Bewaring  (art. 63-64)
Op bevel van de R-C o.v.v. de OvJ.
Rechtmatigheidstoets:
Door de Rb (art. 69 en 72) en het Hof (art. 72a).
Rechtsbijstand: advocaat (art. 41-42). Meestal toevoeging.
Max. 14 dgn.
Voorarrest
Preventieve
hechtenis
Voorlopige
hechtenis
Gevangenhouding/neming (art. 65-66)
Op bevel van de Rb o.v.v. de OvJ
Rechtmatigheidstoets:
Door de Rb  (art. 69 en 72) en het hof (art. 71 en 72a).
Rechtsbijstand: advocaat (art. 41-42). Meestal toevoeging.
Max. 90 dgn. voorafgaand aan de aanvang van het OTT.
Blijft van kracht tot 60 dgn. na de einduitspraak.
Zie ook art. 66a:
de omstreden reparatie-voorziening.


Gronden en gevallen

Inverzekeringstelling:
-              Verdenking: redelijk vermoeden van schuld (art. 57-1 jo 27-1)
-              Gevallen: de gevallen van art. 67 (art. 58-1). O.a. misdrijven waarop 4 jaar of meer staat (zie ook de andere gevallen van art 67, lid 1). Zie voorts 67, lid 2 : z.v.w.o.v.p.
-              Grond: in het belang van het onderzoek (art. 57-1) inclusief het belang van het uitreiken van mededelingen over de strafzaak.

Voorlopige hechtenis (bewaring en gevangenhouding/neming):
-             Verdenking: ernstige bezwaren (de hoofdregel van art. 67-3). (Voor bewaring i.g.v. verdenking van terroristisch misdrijf is gewone verdenking voldoende. Dit is nieuw.)
-             Gevallen: de gevallen van art. 67. O.a. misdrijven waarop 4 jaar of meer staat (zie ook de andere gevallen van art 67, lid 1). Zie voorts 67, lid 2 : z.v.w.o.v.p.
-             Gronden (art. 67a, lid 1):
a.    Ernstig vluchtgevaar (blijkend uit gedragingen van de verdachte en omstandigheden die hem persoonlijk betreffen);
b.    Gewichtige redenen van maatschappelijke veiligheid.
Van ‘gewichtige redenen van maatschappelijke veiligheid’ is sprake (lid 2) i.g.v.:
1e        delict waarop 12 jaar of meer staat en waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt.
2e        recidivegevaar (a): risico dat de verdachte (opnieuw) een misdrijf begaat waarop 6 jaar of meer staat, of waardoor gevaar ontstaat voor
-                      de veiligheid van de staat
-                      de gezondheid en veiligheid van personen
-                      goederen
3e        recidivegevaar (b): i.g.v. verdenking van bepaalde misdrijven (diefstal, verduistering, oplichting, heling, witwassen): indien verdachte gedurende de 5 voorafgaande jaren onherroepelijk voor één van deze misdrijven is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel of een taakstraf en er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat hij opnieuw één van deze delicten zal begaan.
4e        als de voorlopige hechtenis redelijkerwijs noodzakelijk is om de waarheid aan het licht te brengen, anders dan door verklaringen door de verdachte (vgl. collusiegevaar).

Zie voorts het anticipatiegebod van art. 67a, lid 3, Sv (en art. 27 Sr).

5-stappen-schema rechtmatigheidstoets preventieve hechtenis door de raadkamer Rb of Hof (Zie de beschikking ‘Belang van het onderzoek’)
De strafrechtelijke autoriteiten zullen daarop (moeten) anticiperen bij het opleggen van preventieve hechtenis.
1.
Is er sprake van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit?
(Voor voorlopige hechtenis zijn – in beginsel – ‘ernstige bezwaren’ nodig; zie boven.
N.B.: algemeen wordt aanvaard dat art. 67, lid 3, niet van toepassing is op art. 58-1 (gevallen waarin inverzekeringstelling is toegelaten). Dus: voor inverzekeringstelling zijn de ‘ernstige bezwaren’ van lid 3 niet nodig. Redelijk vermoeden van schuld is in dat geval dus voldoende)
2.
Is er sprake van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten? M.a.w.: is er sprake van één van de ‘wettelijke’ gevallen van art. 67, lid 1 en 2?
3.
Is er sprake van een ‘wettelijke’ grond? Voor in verzekeringstelling:‘belang van het onderzoek’( zie art. 57); voor voorlopige hechtenis: de gronden van art. 67a.
4.
Zijn de vormvoorschriften in acht genomen? (termijnen, autoriteiten e.d.)
5.
Is de preventieve hechtenis niet op andere gronden onrechtmatig? Bijvoorbeeld wegens het veronachtzamen van het anticipatiegebod van art. 67a-3, of wegens strijd met de (ongeschreven) beginselen van behoorlijke strafrechtpleging (vertrouwensbeginsel, proportionaliteitsbeginsel, zuiverheid van oogmerk (detournement de pouvoir), etc.).


Deelplegen (column in de rubriek 'Herschrijf het recht', Ars Aequi maart 2010)

Deelplegen
N.J.M. Kwakman

Functioneel recht veronderstelt twee dingen. In de eerste plaats een stabiele kern van fundamentele beginselen en onvervreemdbare (grond)rechten. En in de tweede plaats voldoende ruimte en soepelheid om flexibel te kunnen inspelen op nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen en eigentijdse inzichten: de rechtsontwikkeling.
We zouden kunnen stellen dat – in deze twee-eenheid – de rechtsontwikkeling de neiging heeft de grenzen van de stabiele kern op te zoeken en dat de stabiele kern de neiging heeft om de rechtsontwikkeling aan banden te leggen.
Eén van de belangrijkste fundamentele beginselen van ons (straf)recht houdt in, dat de burger zo precies mogelijk moet weten waar hij aan toe is als hij bijvoorbeeld wordt verdacht van, of wordt veroordeeld voor een strafbaar feit. Dat vereiste is verwoord in het strafvorderlijke en strafrechtelijke legaliteitsbeginsel, en ligt daarnaast besloten in verschillende verdragsrechtelijk beschermde rechten: het vereiste van foreseeabilty, accessibility en preciseness van de verdragsrechtelijk erkende beperkingen op bepaalde verdragsrechten, zoals het recht op privacy van art. 8 EVRM.
Echter, het vereiste van voorzienbaarheid staat op gespannen voet met vereiste van flexibiliteit en vice versa. Om voldoende recht te doen aan zowel het vereiste van stabiliteit, als aan het vereiste van flexibiliteit, kunnen aan elk van beide vereisten geen absolute claims worden ontleend en moet er voortdurend worden gezocht naar een werkbaar en rechtens aanvaardbaar evenwicht.
Deze spanningsverhouding tussen beide uitgangspunten komt in bepaalde opzichten ook tot uitdrukking in de verhouding tussen de wetgever en de rechter.
Zo is het de taak van de wetgever om, met het oog op het voorzienbaarheidsvereiste, het (steeds voorlopige) resultaat van de rechtsontwikkeling vast te leggen in wet- en regelgeving, maar dan wel op zodanige wijze dat de rechter voldoende ruimte wordt gelaten om het recht binnen bepaalde grenzen zó uit te leggen dat optimaal ‘recht’ wordt gedaan aan eigentijdse inzichten en opvattingen.
Deze rechtsvormende taak van de rechter wordt aan de andere kant begrensd door het democratiebeginsel (een ander fundamenteel uitgangspunt van ons recht) in die zin, dat de wetgever altijd kan ingrijpen als de rechter in zijn uitleg van het recht bepaalde grenzen overschrijdt. Dat veronderstelt wel dat de wetgever zichzelf ook in staat acht, en ook daadwerkelijk in staat is, om corrigerend op te treden als dat nodig is. Als dat niet het geval is, d.w.z. als niet aan bepaalde randvoorwaarden wordt voldaan (zoals: de nodige financiële armslag, deskundige wetgevingsjuristen, een organisatie waarin dubbele agenda’s en belangentegenstellingen tussen bijv. diensten en departementen en/of personen ondergeschikt zijn gemaakt aan gemeenschappelijke doelen, voldoende wetenschappelijke ondersteuning, etc.) dreigt het gevaar dat de wetgever achter de feiten aan blijft lopen. Het is dan niet ondenkbaar dat de rechter gedwongen wordt de grenzen niet alleen op te zoeken, maar zelfs te overschrijden om tegemoet te kunnen komen aan de communis opinio op een bepaald terrein. Een voorbeeld van zo’n ‘noodconstructie’ is de zogenaamde ‘onrechtmatigheid ex post’. De civiele rechter heeft deze noodconstructie ontwikkeld bij gebreke van een toereikende regeling voor schadevergoeding voor burgers die (als derden) de dupe waren geworden van ‘rechtmatig’ strafvorderlijk overheidsoptreden. Om tegemoet te komen aan de communis opinio dat de overheid deze gedupeerden niet met de schade mag laten zitten (zoals de schade als gevolg van een op zichzelf rechtmatige huiszoeking), overwoog de civiele rechter dat rechtmatig overheidshandelen alsnog onrechtmatig kan worden als de daaruit voortvloeiende schade niet wordt vergoed. Deze constructie heeft een sterk cirkelredeneringsgehalte, nog afgezien van de vraag of de rechtsfiguur van de onrechtmatige daad wel mag worden gebruikt om een ‘schadevergoedingsplicht uit rechtmatige daad’ te construeren. Maar de belangrijkste reden voor ingrijpen door de wetgever is, dat de wetgeving beter kan worden afgestemd op de communis opinio die uit de grensoverschrijding door de rechter blijkt. Daarmee kan de wetgever het recht op schadevergoeding plaatsen in de context waar het ook thuishoort: zelfbinding op grond van de zorgplicht van de overheid jegens alle burgers. Dat biedt tevens de ruimte om de schadevergoedingplicht te begrenzen aan de hand van een afweging van alle relevante belangen (in plaats van een in beginsel volledige schadevergoedingsplicht op grond van onrechtmatige daad).
Maar kennelijk is vooralsnog niet voldaan aan alle randvoorwaarden om het voornemen van de wetgever om een schadevergoedingsregeling in het leven te roepen, ook daadwerkelijk te vertalen in wetgeving. Het blijft dus nog wel even doormodderen met de noodconstructies.
Een ander voorbeeld is de definitie van het begrip ‘strafrechtelijk relevante causaliteit’. Al geruime tijd geldt daarvoor het door de Hoge Raad geïntroduceerde (non)criterium ‘toerekening naar redelijkheid’. Een werkbaar criterium, omdat het – in concrete gevallen – invullen van het begrip ‘strafrechtelijk relevante causaliteit’ optimale flexibiliteit vereist. Dat is in het verleden wel gebleken bij al die vruchteloze pogingen om een eenduidige en sluitende definitie voor het begrip ‘strafrechtelijk relevante causaliteit’ te ontwikkelen. Echter, ook hier dient de wetgever ervoor te waken dat de rechter de buitengrenzen niet overschrijdt, of dat er een onbalans ontstaat tussen flexibiliteit en voorzienbaarheid. Zo’n buitengrens zou kunnen zijn het ‘conditio sine qua non-vereiste’. Daaraan lijkt in ieder geval te moeten worden voldaan wil er sprake zijn van een strafrechtelijk relevant causaal verband (zij het dat bij het bewijs daarvan een bepaalde onzekerheidsmarge wordt aanvaard die inherent is aan ons bewijsrecht). Als de rechter die grens overschrijdt – en die neiging is er, want het c.s.q.n.-vereiste is tegenwoordig niet altijd meer doorslaggevend – is er niet langer sprake van het ‘vaststellen’ maar het ‘normatief toerekenen’ van het vereiste causale verband. De communis opinio met betrekking tot de strafwaardigheid van bepaalde gedragingen is dan als het ware (mede) doorslaggevend voor de invulling van het (non)criterium ‘toerekening naar redelijkheid’, in plaats van dat (andersom) het aantoonbare causale verband doorslaggevend is voor de strafbaarheid van de gedraging. Afgezien van het feit dat het non-criterium ‘toerekening naar redelijkheid’ de overschrijding van de buitengrenzen van het causaliteitsbegrip per definitie in de hand lijkt te werken, heeft het nog een ander nadeel: de burger kan niet altijd voorzien hoever de rechter bereid is het op te rekken.
Tijd voor ingrijpen door de wetgever dus. In de eerste plaats in de bewijsrechtelijke sfeer, om de onzekerheidsmarge bij het vaststellen van de conditio sine qua non zo klein mogelijk te houden, zodat de rechter zijn toevlucht niet hoeft te nemen tot ‘het normatief toerekenen’ in plaats van het vaststellen van het strafrechtelijk relevante causale verband (vgl. in dit verband bijv. het wetsvoorstel ‘de deskundige in het strafproces’). In de tweede plaats door de ‘communis opinio’ over de strafwaardigheid van bepaalde gedragingen (die blijkt uit het – door de rechter –  ‘normatief toerekenen’ van bepaalde gevolgen aan de verdachte), te vertalen in materieelrechtelijke voorzieningen. Wat dat betreft lijkt het me de moeite waard om eens te onderzoeken of er in ons materiële strafrecht ruimte is voor rechtsfiguren als ‘onbewust medeplegen’ (d.w.z. wél opzet op het gevolg, maar niet op de samenwerking), of meer algemeen: deel-daderschap of deel-plegen. Daarmee zouden gedragingen strafbaar kunnen worden gesteld ongeacht of ook andere factoren tot het verboden gevolg hebben geleid, en het niet zeker is of de gedraging op zichzelf conditio sine qua non was voor het verboden gevolg. De rechtsfiguur ‘medeplegen’ kan daarbij als voorbeeld dienen: meerdere plegers, die gezamenlijk de delictsbestanddelen vervullen, maar zonder dat de gedraging van elk van de afzonderlijke medeplegers conditio sine qua non hoeft te zijn voor het verboden gevolg.

De waarheidsvinding in het strafproces (column in Asega november 2010)

De waarheidsvinding in het strafproces
N.J.M. Kwakman

Enige zelfrelativering kan wetenschappers niet worden ontzegd. Dat komt vooral tot uiting in de enige waarheid die de meeste wetenschappers van harte omarmen: ‘De waarheid bestaat niet’. Dat klopt. Want ook die waarheid is niet helemaal waar. Als de wetenschapper het heeft over ‘de waarheid’ dan doelt hij meestal op de voorlopige waarheid in de zin van een hypothese of een theorie die nog niet is weerlegd, die nog niet is ‘gefalsifieerd’. In dat licht bezien vormt de stelling dat de waarheid niet bestaat de drijfveer voor wetenschappelijke vooruitgang. Immers, wetenschappelijke vooruitgang houdt eigenlijk niet veel meer in dan het voortdurend blootleggen van wetenschappelijke dwalingen: het kan altijd beter.
Maar er zijn ook andere waarheidsconcepten. Zoals: waarheid in de zin van ‘niet jokken’; waarheid in de zin van ‘corresponderend met de werkelijkheid of corresponderend met hetgeen zich feitelijk heeft afgespeeld’; waarheid in de zin van ‘een conclusie uit een deugdelijke logische redenering’ of meer algemeen: waarheid in de zin van een ‘uitkomst van een stelsel van uitspraken waarmee de waarheidsclaim coherent is’. En zelfs: waarheid in de zin van ‘corresponderend met een normatieve regel of met normatieve beslissing van een gezaghebbend orgaan’. Zoals: hij heeft een strafbaar feit gepleegd. Zo bezien is de stelling ‘de waarheid bestaat niet’ in ieder geval wel waar voor zover daarmee wordt bedoeld dat er meer waarheden bestaan dan de wetenschappelijke waarheid. De meeste van deze waarheidsconcepten spelen niet alleen een rol in het kader van de wetenschappelijke waarheidsvinding, maar ook en soms uitsluitend (vgl. de ‘normatieve’ waarheid) in het kader van de materiële waarheidsvinding in het strafproces. Geldt nu ook voor al die andere waarheidsconcepten dat ‘de waarheid’ niet bestaat? Als iemand vertelt wat hij weet, dan spreekt hij ‘de waarheid’. Die waarheid bestaat in ieder geval wel. Iets anders is, dat de rechter er voor moet waken dat hij de verschillende waarheidsconcepten onderling niet verwisselt. Zo mag hij de waarheid die thuishoort bij het ene waarheidsconcept, niet ontlenen aan een ander concept van waarheid(svinding). Als iemand niet jokt, en in die zin de waarheid spreekt, mag daaruit nog niet vanzelfsprekend ‘de waarheid in de zin van corresponderend met wat zich feitelijk heeft afgespeeld’ worden afgeleid. Daar is meer voor nodig. Zo zal op zijn minst moeten vaststaan dat de persoon in kwestie heeft kunnen waarnemen wat hij zegt te hebben waargenomen. Dat betekent dat de waarheid in de zin van ‘niet jokken’ misschien niet op zichzelf, maar wel in samenhang met alle andere relevante ‘waarheden’ kan bijdragen tot de overtuiging van de rechter dat het ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard. Kortom: de verschillende waarheidsconcepten (en de daarbij behorende typen waarheidsvinding) moeten methodologisch scherp van elkaar worden onderscheiden, maar de resultaten daarvan dienen wel degelijk met elkaar te worden verweven tot een meervoudige verankering van de overtuiging van de rechter.
Een probleem is echter nog wel, dat de rechter in ingewikkelde zaken geregeld wetenschappers als deskundigen moet inschakelen om hem bij te staan bij het oplossen van lastige kwesties. Welke waarde moet de rechter dan toekennen aan de wetenschappelijke waarheid waarop de deskundige zijn inbreng baseert, nu er in de wetenschap – zo blijkt ook uit de praktijk – voortdurend dwalingen worden blootgelegd en wetenschappers (ook in het kader van de strafrechtelijke waarheidsvinding) op grond van nieuwe inzichten niet zelden terugkomen op eerdere wetenschappelijke opvattingen en aannames.
Vormt in dat licht bezien het inschakelen van wetenschappers als deskundigen in het strafproces dan niet per definitie een onaanvaardbaar risico voor de materiële waarheidsvinding in het strafproces, die de grondslag vormt voor de uiteindelijke, veelal ingrijpende strafrechtelijke afrekening? En is de rechter eigenlijk wel in staat om zich een oordeel te vormen over de juistheid van datgene wat de deskundige beweert, nu zelfs in de wetenschap zelf allerminst wordt uitgesloten dat de waarheid kan worden ingehaald door nieuwe inzichten?
Ook hier geldt dat de overtuiging van de rechter moet worden gefundeerd op een optelsom van elkaar versterkende (concepten van) waarheden, die op zichzelf vaak niet doorslaggevend zijn. In die zin is de rechter een echte duizendpoot. Het construeren van een consistent en stevig verankerd verhaal dat leidt tot een bewezenverklaring met een aanvaardbare onzekerheidsmarge, vraagt tegenwoordig nogal wat van de rechter. Want hoewel het blootleggen van wetenschappelijke dwalingen normaalgesproken kan worden uitgelegd als wetenschappelijke vooruitgang, wetenschappelijke dwalingen die leiden tot gerechtelijke dwalingen betekenen een regelrechte ramp. Als we daarbij nog optellen wat er methodologisch allemaal mis kan gaan met (het verwisselen en combineren van) allerlei andere concepten van waarheid(svinding), dan mag het een wonder heten dat er nog steeds rechters zijn die knopen durven door te hakken en dat dit in het overgrote deel van de gevallen nog goed gaat ook. Echter, zoals ook wetenschappers uit eigen ervaring weten: het kan altijd beter. Een wijze les die wetenschappers juristen maar al te graag voorhouden – getuige de commentaren in wetenschappelijke kringen op enkele spraakmakende gerechtelijke dwalingen – en die we natuurlijk graag ter harte nemen.


zondag 20 november 2011

Markante gebeurtenissen in 200 jaar rechtspraak

Enkele markante punten op juridisch terrein gedurende de afgelopen twee eeuwen Rechterlijke Macht
N.J.M. Kwakman

1811
Nederland wordt (na het gedwongen aftreden van Koning Lodewijk Napoleon in 1810, die namens zijn broer Keizer Napoleon Bonaparte van 1806-1810 de scepter had gezwaaid in Nederland) ingelijfd bij de Eerste Republiek Frankrijk. In Nederland geldt vanaf dat moment het Franse recht. Zo kent Nederland sinds 1811 juryrechtspraak.

1813
Nederland wordt weer soeverein: de onafhankelijkheid wordt hersteld. Wel blijft het Franse recht voorlopig nog gelden, zij het met enkele aanpassingen. Zo wordt de juryrechtspraak in Nederland weer afgeschaft. En daarnaast worden Nederlandse straffen, zoals geseling en ophanging, opnieuw opgenomen in het Wetboek van Strafrecht (het zgn. Geesel- en Worgbesluit: men achtte de galg humaner dan de guillotine).

1814
Na de Franse overheersing en het herstel van de onafhankelijkheid van Nederland wordt Nederland onder Koning Willem 1 een gedecentraliseerde eenheidsstaat met een nieuwe Grondwet. Belangrijkste veranderingen: De provincies verliezen hun zelfstandigheid. De Staten Generaal vormen geen vertegenwoordiging meer van de provincies, maar van het Volk als geheel. De Wetgevende macht wordt gevormd door de Koning en de Staten Generaal. Vrijheid van godsdienst is het eerste grondrecht dat in de Grondwet wordt opgenomen.

1815
Nederland en België gaan samen.
Er wordt gekozen voor een tweekamerstelsel (naar Engels voorbeeld) ter beteugeling van het centrale gezag en als een extra garantie om, door middel van een tweede controle, tunnelvisie bij de wetgever te voorkomen.
In de nieuwe grondwet worden diverse grondrechten toegevoegd: recht van petitie, eigendom, onschendbaarheid van de woning, briefgeheim, vrijheid van drukpers.
Het Franse recht blijft nog lange tijd van toepassing – met uitzondering van o.a. de juryrechtspraak die in 1813 is afgeschaft – omdat de voorbereiding van (en discussie over) nieuwe wetgeving veel tijd vergt.

1830
Opstand in de Belgische provincies. België scheidt zich af van Nederland. Bij het voorbereiden van nieuwe wetboeken hoeft geen rekening meer te worden gehouden met de wensen van de Belgen (die de voorkeur gaven aan de Franse wetgeving boven het Oud Hollandse recht dat voor Noord Nederland het uitgangspunt vormde).

1838
Het Wetboek van Strafvordering treedt in werking. Het vertoont sterke trekken van het Franse strafprocesrecht dat tot dan toe (sinds de Franse overheersing) van kracht is geweest.
Daarnaast treedt ook het Burgerlijk Wetboek in werking. Dat vertoont eveneens sterke trekken van het Franse (civiele) recht dat tot dan toe, sinds de Franse overheersing, van kracht is geweest.

1840
De ‘strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid’ wordt ingevoerd. Een Koninklijk besluit dat door een Ministers wordt medeondertekend in strijd met de wet of de Grondwet, levert een strafbaar feit op (in de algehele grondwetherziening van 1983 is de strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid geschrapt).

1848
De basis voor de democratische rechtsstaat zoals wij die kennen, wordt gelegd. Thorbecke speelt daarbij een belangrijke rol. De aanleiding is een ruzie tussen de Koning en het parlement over de besteding van financiën die de Koning op eigen houtje voor bepaalde doelen had bestemd.
Enkele aandachtspunten:
De invoering van de ministeriële verantwoordelijkheid (de Koning is onschendbaar, de Ministers zijn verantwoordelijk).
De Grondwettelijke bevoegdheden van de Koning worden bevoegdheden van de Regering. De Koning krijgt het recht om de Kamers te ontbinden.
De Tweede Kamer wordt rechtstreeks gekozen.
De Tweede Kamer krijgt het recht van interpellatie, enquête, amendement en vaststelling van de begroting.
In de Grondwet wordt tevens een aantal nieuwe grondrechten toegevoegd: het recht van vereniging en vergadering, het recht van briefgeheim en vrijheid van onderwijs.

1854
Afschaffing van de schavotstraffen, zoals geselen en brandmerken.

1860
Laatste doodvonnis: de wegens moord veroordeelde Johan Nathan wordt in Maastricht opgehangen.

1867
De hoofdregel van het parlementaire stelsel (het overwicht van het Parlement) wordt gevestigd: de Regering is voor haar functioneren afhankelijk van het Parlement. Een Kabinet dat niet langer het vertrouwen geniet van het parlement, behoort af te treden: de zgn. vertrouwensnorm.

1870
De doodstraf wordt uit het (gewone) strafrecht geschrapt.
In plaats daarvan wordt de levenslange gevangenisstraf ingevoerd.

1874
Kinderwetje van Van Houten: het wordt verboden kinderen tot 12 jaar in fabrieken te laten werken

1879
In zijn arrest van 13 januari 1879 (Meerenberg-arrest) gaf de Hoge Raad een belangrijke aanzet tot de zgn.‘rule of law’. Bevoegdheden van de Koning (de uitvoerende macht) moeten berusten op een democratische toekenning daarvan in de wet: het beginsel van wetmatigheid van bestuur of het ‘legaliteitsbeginsel’.

1881
Het Wetboek van Strafrecht is eindelijk gereed (als laatste van de grote codificaties – wetboeken – van de 19e eeuw). Het bevat een aantal belangrijke ‘moderniteiten’, zoals de mogelijkheid om ook rechtspersonen strafbaar te (kunnen) stellen.

1881
Begin van een bouwgolf van gevangenissen met eenpersoonscellen. De gedachte is dat eenzame opsluiting de misdadiger tot inkeer brengt.

1886
Het nieuwe – sinds de versie van 1881 alweer gewijzigde – Wetboek van Strafrecht treedt in werking, samen met het (op enkele belangrijke onderdelen) gewijzigde Wetboek van Strafvordering van 1838.

1887
Het legaliteitsbeginsel wordt in de Grondwet opgenomen: voorschriften door wetten te handhaven (dus m.n. strafbare feiten) hebben een geschreven wettelijke basis nodig.
Ook wordt in de Grondwet opgenomen dat geschillen tussen overheid en burgers worden beslist door een onafhankelijke administratieve rechter (het begin van het bestuursrecht).

1901
De leerplicht wordt wettelijk vastgelegd (daardoor wordt het verbod van kinderarbeid beter nageleefd).
Daarnaast leggen de zgn. ‘kinderwetten’ de basis voor het (nieuwe) jeugdstrafrecht, met de nadruk op gedwongen hulpverlening. Voorts wordt de bovengrens van het jeugdstrafrecht verhoogd van 16 naar 18 jaar

1913
Vestiging van het Permanent Hof van Arbitrage (voor vreedzame beslechting van internationale geschillen tussen staten) in het Vredespaleis in Den Haag.

1915
In zijn arrest van 31 december 1915 (Noordwijkerhout-Guldemond) bepaalt de Hoge Raad dat de burgerlijke rechter bevoegd is twistpunten die voortvloeien uit rechtsbetrekkingen tussen overheid en burgers, te berechten. Dat is vooral van belang omdat de Hoge Raad later heeft uitgemaakt dat (ook) schendingen van publiekrechtelijke rechtsnormen tot een onrechtmatige overheidsdaad kunnen leiden, zodat de overheid daarvoor civielrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld en tot schadevergoeding kan worden veroordeeld.

1915
Invoering voorwaardelijke gevangenisstraf

1916
In zijn arrest van 14 februari 1916 (het Melk en Water-arrest) heeft de Hoge Raad met zoveel woorden uitgesproken dat in ons strafrecht geldt ‘geen straf zonder schuld in de zin van verwijtbaarheid’. Een verboden handeling of het veroorzaken van een bepaald verboden gevolg is op zichzelf nog niet voldoende voor strafbaarheid.

1917
Herziening van de Grondwet:
Algemeen kiesrecht voor mannen en passief kiesrecht voor vrouwen (vrouwen mochten dus nog niet kiezen, maar wel verkozen worden).
Voorts: Financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs (dat was door de pleitbezorgers van het bijzonder onderwijs als voorwaarde gesteld om in te stemmen met het algemene kiesrecht; daarmee kwam een einde aan de lange en pijnlijke ‘schoolstrijd’).

1919
Bij wet wordt geregeld dat vrouwen ook een actief kiesrecht krijgen (dat wordt in 1922 ook in de Grondwet verankerd)

1919
In zijn arrest van 31 januari 1919 (Lindenbaum-Cohen) beslist de Hoge Raad dat ook een  onzorgvuldige (maatschappelijk onbetamelijke) gedraging een onrechtmatige daad kan opleveren, zodat de betrokkene gehouden is tot schadevergoeding. Dat geldt ook voor de overheid, zoals blijkt uit latere uitspraken van de Hoge Raad. Als de overheid de ‘zorgvuldigheidsnorm’ veronachtzaamt kan dat een onrechtmatige overheidshandeling opleveren.

1921
Verfijning van het kinderstrafrecht. Het ‘oordeel des onderscheids’ gaat een rol spelen bij de vraag of en in hoeverre je een kind dat een strafbaar feit heeft gepleegd, strafrechtelijk kunt aanpakken.

1922
Vestiging van het – aan de voormalige Volkenbond verbonden – Permanent Hof van Internationale Justitie (dat kennis nam van geschillen van internationale aard tussen staten) in het Vredespaleis in Den Haag. Het Hof is in 1946 ontbonden in verband met de opheffing van de Volkenbond, en vervangen door het vergelijkbare Internationaal Gerechtshof van de Verenigde Naties.

1922
Instelling aparte kinderrechter

1926
Het geheel herziene (en beter op de ‘moderne tijden’ afgestemde) Wetboek van Strafvordering treedt in werking. Het is in hoofdlijnen nog steeds van toepassing.

1926
In zijn arrest van 20 december 1926 (het ‘De auditu-arrest’) heeft de Hoge Raad beslist dat ook ‘verklaringen van horen zeggen’ in een strafzaak tot bewijs kunnen dienen. Dat stond op gespannen voet met de geest van het wettelijke bewijsstelsel, dat er vanuit gaat dat opsporingsambtenaren en getuigen alleen verklaren over wat ze zelf hebben waargenomen en ondervonden. Een voorbeeld van de (te?) belangrijke rol van de Hoge Raad in de rechtsontwikkeling.

1928
De inwerkingtreding van de psychopatenwet (als voorganger van de huidige tbs-regelgeving)

1943
De regering in ballingschap voert (tijdelijk) de doodstraf weer in. Na de oorlog worden ruim 150 oorlogsmisdadigers tot de dood veroordeeld op grond van deze ‘Bijzondere Rechtspleging’, waarvan er ca. 40 zijn terechtgesteld. Kort na de oorlog wordt de doodstraf weer afgeschaft.

1945
Neurenberg-proces. Vanaf 20 november 1945 tot 1 oktober 1946 vindt het Internationaal Militair tribunaal van Neurenberg plaats, waarbij 22 nazileiders worden berecht wegens oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid.

1945
De oprichting van de Verenigde Naties. De leden verbinden zich onder meer maatregelen te treffen ter bevordering en eerbiediging van mensenrechten en fundamentele vrijheden zonder onderscheid naar ras, godsdienst en taal.

1946
Vestiging van het Internationale Gerechtshof van de verenigde Naties in het Vredespaleis in Den Haag. Het hof neemt kennis van, en doet uitspraken over rechtsgeschillen tussen staten. Het komt in de plaats van het Permanente Hof van Internationale Justitie van 1922.

1948
De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens wordt aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Daarin worden de belangrijkste rechten van de mens omschreven.

1950
De totstandkoming van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (van de Raad van Europa): één van de eerste, en voor ons land belangrijkste, juridisch (volkenrechtelijk) bindende internationale statuten voor de mensenrechten. De grondrechten die daarin worden beschermd, komen voor een groot deel overeen met de mensenrechten uit de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, maar die vormt – in tegenstelling tot het EVRM – geen juridisch bindend statuut.

1950
De inwerkingtreding van de Wet Economische Delicten. Voor delicten die als economische delicten worden aangemerkt, gelden speciale straffen en maatregelen, zoals sluiting van het bedrijf. Daarmee wordt onder meer beoogd oneerlijke concurrentie te bestrijden. Tevens kunnen speciale dwangmiddelen en opsporingsbevoegdheden worden toegepast.

1951
De oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal: de eerste van de Europese gemeenschappen (bedoeld om de handen op verschillende terreinen ineen te slaan en daarmee een permanente vrede in Europa te waarborgen) die uiteindelijk hebben geleid tot de EU.

1953
De invoering van de Beginselenwet gevangeniswezen, waarin de rechten en plichten van gedetineerden worden geregeld.

1954
In zijn arrest van 23 februari 1954 (IJzerdraadarrest) heeft de Hoge Raad beslist dat iemand strafrechtelijk aansprakelijk kan zijn voor het handelen van een ondergeschikte: het zogenaamde functionele daderschap. Dat is in de loop van de jaren uitgegroeid tot een ingewikkeld leerstuk

1956
De wettelijke handelingsonbekwaamheid van gehuwde vrouwen wordt afgeschaft (Wet Van Oven). Vanaf dat moment kunnen gehuwde vrouwen zelfstandig (en niet langer alleen met medewerking van hun echtgenoot) rechtshandelingen verrichten, zoals overeenkomsten sluiten. De motie die uiteindelijk tot de afschaffing van de juridische handelingsonbekwaamheid van gehuwde vrouwen leidde, werd met een zeer krappe meerderheid aangenomen.

1957
Ondertekening van het Verdrag van Rome door een aantal deelnemende landen. Met het Verdrag van Rome werd(en) de Europese Economische Gemeenschap (en Euratom) opgericht.

1957
De Algemene Ouderdomswet wordt ingevoerd.

1963
In het Van Gend en Loos-arrest van 5 februari 1963 bepaalt het Hof van Justitie van de EEG dat ‘rechtstreeks werkende verdragsbepalingen’ binnen de nationale rechtsorde kunnen worden toegepast zonder dat daarvoor een aanpassing van de nationale wetgeving nodig is.

1964
In het Costa-Enel-arrest bepaalt het Hof van Justitie van de EEG dat verdragsrecht niet door voorschriften van nationaal recht opzij kunnen worden gezet: de soevereiniteit van de lidstaten met betrekking tot dit verdragsrecht is daarmee definitief beperkt geworden.

1965
In het kinderstrafrecht wordt het ‘oordeel des onderscheids’ niet langer als doorslaggevende maatstaf gehanteerd voor de vraag of en in hoeverre jeugdigen strafrechtelijk kunnen worden aangepakt. Er wordt vanaf dan gewerkt met absolute (zij het flexibele) grenzen: kinderen beneden 12 jaar zijn niet strafrechtelijk vervolgbaar, voor kinderen tussen 12 en 18 jaar geldt een speciaal jeugdstraf(proces)recht met een trapsgewijze overgang naar het volwassenenstrafrecht.

1966
De totstandkoming van het Internationale Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (BUPO) van de Verenigde Naties, als uitvloeisel van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (van 1948). Het Verdrag is pas in werking getreden in 1976.

1967
De Europese Gemeenschappen (EGKS, EEG en Euratom) worden samengevoegd tot de Europese Gemeenschappen (EG) door middel van een fusieverdrag.

1976
Op basis van onderzoek naar de oorzaken van jeugdcriminaliteit wordt geconcludeerd dat in het kinderstrafrecht naast het ‘schuldbeginsel’ ook het ‘opvoedingsbeginsel’ een belangrijke rol moet spelen bij de vraag hoe jeugdigen die strafbare feiten hebben gepleegd, het best strafrechtelijk kunnen worden aangepakt.

1981
Invoering van taakstraffen (werk- en leerstraffen) voor volwassenen.
In 1995 wordt het ook mogelijk om taakstraffen op te leggen aan jeugdigen.
Taakstraffen behoren inmiddels tot de hoofdstraffen van ons strafrecht en kunnen zelfstandig en/of naast andere hoofdstraffen worden opgelegd.

1983
Algehele herziening van de Grondwet: er komt een apart hoofdstuk met (klassieke en sociale) grondrechten. In dat verband wordt een aantal nieuwe grondrechten toegevoegd, zoals: het verbod van discriminatie (art. 1), recht op privacy (art. 10) en onaantastbaarheid van het lichaam (art. 11) en algemeen recht op vrijheid van meningsuiting (art. 7)
Voorts wordt o.m. het verbod tot het opleggen van de doodstraf in de Grondwet opgenomen. Doodstraf verdwijnt nu ook uit het militair- en oorlogsrecht.

1983
De Wet vermogenssancties (Plukze-wetgeving) treedt in werking

1984
De totstandkoming van het ontwerpverdrag voor de oprichting van de Europese Unie.

1985
Het verdrag van Schengen. Dat verdrag resulteerde in een gebied zonder binnengrenzen, de zgn. Schengenruimte. De deelnemende landen hadden afgesproken geen grenscontroles meer uit te voeren aan hun gemeenschappelijke grenzen. Op den duur zouden de grensbarrières binnen de gehele Eu worden verplaatst naar de buitengrenzen van Europa. Het verdrag maakt inmiddels integraal onderdeel uit van de EU-verdragen.

1987
De rechtbank Amsterdam beveelt voor het eerst een DNA-onderzoek in een strafzaak, die betrekking heeft op de zgn. WTC-verkrachtingen. Het begin van een ontwikkeling die in 1999 heeft geleid tot de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken (bij het NFI) en daarnaast tot diverse wettelijke regelingen (zoals de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden van 2005)

1988
De regeling omtrent de terbeschikkingstelling wordt herzien. In dat verband wordt ook de naam veranderd van ‘ter beschikkingstelling van de regering’ (TBR) in ‘terbeschikkingstelling’(TBS). De rechter kan – na een deskundige te hebben geraadpleegd – een dader met een geestelijke stoornis (naast of in plaats van of een straf) TBS, al dan niet met dwangverpleging, opleggen indien de dader geheel of gedeeltelijk ‘ontoerekeningsvatbaar’ is. Deze ‘maatregel’ kan voor enkele jaren worden opgelegd, maar ook voor onbepaalde tijd: de zgn. ‘long stay’.

1989
De twee overgebleven gevangenen van de ‘Drie van Breda’ (oorlogsmisdadigers die een levenslange gevangenisstraf uitzaten) wordt gratie verleend.

1989
De totstandkoming van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Het verdrag, dat onder meer tot stand is gekomen vanwege de slechte rechtspositie van kinderen in ontwikkelingslanden, vormt ook voor Nederland een belangrijke leidraad voor wetgeving. Het is in 1995 door Nederland geratificeerd. In 1998 hadden 191 landen het geratificeerd

1989
De Wet Administratieve Handhaving Verkeersvoorschriften treedt in werking. Het doel is o.a. een antwoord te vinden op het enorme strafrechtelijke handhavingstekort. Bepaalde (lichte) verkeersdelicten worden sindsdien bestuursrechtelijk afgedaan. De WAHV heeft een impuls gegeven aan de zgn. ‘bestuurlijke boete’, die sindsdien een hoge vlucht hebben genomen. De boete wordt in dat geval niet opgelegd door een strafrechtelijk orgaan, maar door een bestuursorgaan (zoals bijv. de ‘autoriteit financiële markten’).

1991
Verkrachting binnen het huwelijk wordt strafbaar gesteld bij wet. Tot dan toe werd verkrachting van de vrouw binnen het huwelijk gezien als een teken van ongehoorzaamheid van de vrouw jegens haar man op het gebied van haar huwelijkse plichten.
Bij dezelfde wet werd voorts het begrip verkrachting verruimd (niet alleen meer door geweld, maar ook door andere vormen van dwang).

1992
In zijn arrest van 2 juni 1992 (Sproeivliegtuig-arrest) heeft de Hoge raad uitgemaakt dat ook wetgeving onrechtmatig kan zijn.

1992
Op 1 januari 1992 wordt het Nieuwe Burgerlijk Wetboek van kracht (belangrijkste motor: de Leidse hoogleraar Meijers)

1994
Op 1 januari 1994 treedt de Algemene Wet Bestuursrecht (de tranches 1 en 2) in werking (op 1 januari 1998 treedt de derde tranche in werking en binnenkort wordt ook de vierde tranche van kracht). De Awb regelt de administratiefrechtelijke rechtsbetrekkingen tussen de overheid en de burgers.

1995
De Wet Terwee wordt ingevoerd. Die geeft slachtoffers van delicten meer en betere mogelijkheden om hun schade in het strafproces op de dader te verhalen. Daarvoor konden slachtoffers van delicten zich ook al als benadeelde partij voegen in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding, maar dat resulteerde vaak niet in de gewenste resultaten. De Wet Terwee is een aanzet geweest tot een voortdurende verbetering de laatste tijd van de positie van het slachtoffer in het strafproces.

1996
In zijn arrest van 23 april 1996 (Pikmeerarrest) beslist de Hoge raad, dat de overheid – in dit geval in de persoon van een ambtenaar die uit hoofde van zijn functie handelde in het algemeen belang – niet kon worden vervolgd wegens het plegen van een strafbaar feit (het betrof het uit kostenoverwegingen storten van vervuilde bagger in het Pikmeer). Dat betekende strafrechtelijke immuniteit, niet alleen voor de Staat, maar ook voor lagere overheden. Dit heeft geleid tot felle protesten in de Tweede Kamer (en enige nuancering door de Hoge Raad) en uiteindelijk tot een wetsvoorstel om de mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging van overheden te verruimen. Dat wetsvoorstel heeft echter nog steeds niet geleid tot een wet.

2001
In zijn arrest van 30 maart 2001 (Staat-Lavrijsen) heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat personen die (anders dan verdachten) onverwijtbaar betrokken worden bij een strafzaak en schade lijden als gevolg van een op zichzelf rechtmatige toepassing van een dwangmiddel (bijvoorbeeld schade als gevolg van een huiszoeking), recht hebben op schadevergoeding. Als ze niet schadeloos worden gesteld, wordt het dwangmiddel alsnog met terugwerkende kracht als onrechtmatig aangemerkt.
Gewezen verdachten die niet worden veroordeeld en schade hebben gelden, komen overigens alleen in aanmerking voor schadevergoeding als ze kunnen bewijzen dat ze ten onrechte als verdachte zijn aangemerkt.
Er ligt inmiddels een wetsvoorstel voor een wettelijke schadevergoedingsregeling.

2002
Vestiging van het Internationale Strafhof van de Verenigde Naties in Den Haag. Het oordeelt over bepaalde ernstige misdaden: genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden.
(Daarnaast zijn er bijzondere internationale strafhoven, zoals het Joegoslavië-tribunaal, eveneens in Den Haag, en – na de Tweede Wereldoorlog – het Neurenberg-proces).

2003
In zijn arrest van 21 oktober 2003 (Drijfmestarrest) heeft de Hoge Raad – bij wijze van samenvatting van eerdere arresten – aanwijzingen gegeven omtrent de criteria op grond waarvan strafbare handelingen van bepaalde natuurlijke personen kunnen worden toegerekend aan de rechtspersonen waarvan ze onderdeel uitmaken.

2004
De Wet Terroristische Misdrijven treedt in werking. Op grond daarvan kunnen allerlei terroristische of terrorisme-gerelateerde misdrijven aanzienlijk zwaarder worden gestraft dan gewone misdrijven.

2004
De ISD-maatregel wordt ingevoerd (de zgn. ‘inrichting voor stelselmatige daders’), bedoeld voor veelplegers.

2006
De Wet ter Verruiming van de Mogelijkheden tot Opsporing en vervolging van Terroristische Misdrijven treedt in werking. Dat biedt opsporingsinstanties ruime mogelijkheden en instrumenten om al in een vroeg stadium terroristische of terrorisme-gerelateerde strafbare feiten, of plannen daartoe en de voorbereiding daarvan, op te sporen en te vervolgen en daarbij zo nodig ingrijpende dwangmiddelen toe te passen.

2006
De maximum tijdelijke celstraf gaat van 20 jaar naar 30 jaar om het verschil tussen de maximum tijdelijke gevangenisstraf (die vaak slechts gedeeltelijk ten uitvoer wordt gelegd) en de levenslange gevangenisstraf kleiner te maken.

2008
Op 1 januari 2008 treedt de Wet OM-afdoening in werking. Het Openbaar Ministerie mag nu voor veel voorkomende (lichte) strafbare feiten zelfstandig straffen opleggen door middel van een zgn. strafbeschikking.
De OM-afdoening komt (gefaseerd) in de plaats van de ‘transactie’ (schikking).
Namens het OM mag ook de politie een zgn. politie-strafbeschikking uitvaardigen.
Ook is het mogelijk dat bestuursorganen namens het OM ‘bestuurlijke strafbeschikkingen’ uitvaardigen. Dat komt dus bovenop de mogelijkheid om als bestuur ‘bestuurlijke boetes’ op te leggen.

2008
In zijn arrest van 12 februari 2008 heeft het Europees Hof van de rechten van de mens uitgemaakt dat levenslange gevangenisstraf op zichzelf niet in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Echter, er moet wel enig perspectief zijn op vrijlating (bijvoorbeeld door middel van gratie). Als dat niet het geval is, is er strijd met art. 3 van het Verdrag

2009
In zijn arrest van 21 mei 2009 (Salduz) bepaalt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat het recht op een eerlijk proces inhoudt dat (in ieder geval jeugdige) verdachten hun raadsman moeten kunnen raadplegen voorafgaand aan en/of tijdens een eerste politieverhoor. Dit uitgangspunt wordt/is inmiddels in Nederland uitgewerkt in regelgeving. Advocaten hebben inmiddels ook ‘Salduz-piket’.

2009
De Wet bestuurlijke Boete Overlast in de Openbare Ruimte treedt in werking. Gemeenten kunnen op grond daarvan kiezen uit twee nieuwe handhavingsvarianten ter bestrijding van overlast op lokaal niveau: de ‘bestuurlijke boete’ en de ‘bestuurlijke strafbeschikking’ (een variant van de OM-strafbeschikking)

2009
Verdrag van Lissabon: de oprichting van de EU in haar huidige vorm.

2010
Inwerkingtreding van de Wet Deskundige in het Strafzaken. Daarmee wordt de rol van de deskundige in het strafproces beter geregeld, onder meer om nog meer garanties te kunnen bieden dat in strafrechtelijke onderzoeken de waarheid daadwerkelijk boven tafel komt.