vrijdag 10 februari 2012

De deskundige in het strafproces

De wettelijke regeling omtrent de deskundige in het strafproces in vogelvlucht.
N.J.M.Kwakman

Zie voor meer informatie:
B.F. Keulen, H.K. Elzinga, N.J.M. Kwakman, J.A. Nijboer, Het deskundigenregister in strafzaken. De beoogde werking, mogelijke neveneffecten en risico’s. Den Haag: Boom Juridische uitgevers, 2010;
N.J.M. Kwakman, 'Het nieuwe deskundigenregister; gestolde deskundigheid' in NJB, 16-09-2011, afl. 31, p. 2083-2086.
N.J.M. Kwakman, 'De Wet Deskundige in Strafzaken: een remmende sprong vooruit?' in Ars Aequi april 2011, nr. 4 (rubriek Rode draad 'Over de grenzen van het recht'), p. 309-317.



Op 1 januari 2010 is de Wet Deskundige in Strafzaken in werking getreden.
Daarmee zijn de drie belangrijkste pijlers waarop de kwaliteit en bruikbaarheid van deskundigenbewijs in het strafproces zijn gefundeerd, wat steviger wettelijk verankerd:
a.       Het recht op tegenspraak in het voor- en eindonderzoek;
b.       De kwaliteitseisen m.b.t. deskundigen in het strafproces;
c.       De rol van de rechter in het voor- en eindonderzoek;

Ad a
In de eerste plaats is er een nieuwe Titel toegevoegd aan het Wetboek van Strafvordering: Titel IIIc van het Eerste Boek: ‘De Deskundige’ (de hieronder te bespreken artt.51i-51m Sv), waarin de algemene gang van zaken met betrekking tot de inschakeling van deskundigen, de kwaliteitseisen, het deskundigenverslag, de beëdiging, etc. worden geregeld.

Naast deze nieuwe titel IIIc Eerste Boek zijn enkele andere bepalingen in het Wetboek van Strafvordering aangepast, toegevoegd of vervallen verklaard.

Zie Titel 1 van het Tweede Boek (‘Het opsporingsonderzoek’), tweede afdeling (‘De officier van justitie): de hieronder te bespreken artikelen 150-150c Sv.

Zie voorts de nieuwe Titel III van het Tweede Boek (‘Onderzoek door de rechter-commissaris’) – in te voeren na de inwerkingtreding van de nieuwe Wet Versterking Positie Rechter Commissaris – en met name de hieronder te bespreken artikelen 227-236 Sv van de vijfde afdeling (‘Deskundigen’).

Allereerst blijkt uit de nieuwe wetgeving dat het recht op tegenspraak m.b.t. deskundigenonderzoek in de vooronderzoeksfase is verruimd in die zin, dat de verdachte zich reeds gedurende het opsporingsverzoek kan uitlaten over een eventueel – door het Openbaar Ministerie (OM) bevolen – deskundigenonderzoek.
In dat verband mag de verdachte bovendien een verzoek om een tegenonderzoek indienen bij het OM en/of bij de Rechter-Commissaris (R-C).
Zie:
-         de artt. 150, 150a, 150b (met betrekking tot het deskundigenonderzoek op initiatief van het OM en het eventueel daarop volgende tegenonderzoek op verzoek van de verdachte);
-         en art. 182 Sv (nieuw) juncto de (reeds bestaande) artikelen 227-236 Sv (met betrekking tot het onderzoek op verzoek van de verdachte door de R-C)

Met deze verruiming van de tegensprekelijkheid in de vooronderzoeksfase is de wettelijke regeling beter afgestemd op de toegenomen betekenis van de opsporingsfase in het strafproces en (dus) op de toegenomen betekenis van deskundigenonderzoeken in die fase.

Ad b
Daarnaast heeft de nieuwe wet het deskundigenregister geïntroduceerd in combinatie met een nog nader uit te werken stelsel van basiskwaliteitseisen en gedragscodes waaraan deskundigen moeten voldoen om voor registratie in aanmerking te komen.
Zie art. 51k Sv en de daarop gebaseerde AMvB: Het Besluit Deskundigen in Strafzaken.
Het art. 12 van dat Besluit heeft betrekking op deze kwaliteitseisen en art. 13 lid 2 onder f van het Besluit op de gedragscode die door het College Gerechtelijk Deskundigen is opgesteld.

De R-C kan gedurende het vooronderzoek – soms ambtshalve, maar meestal op vordering van het OM, dan wel op verzoek van de verdachte – één of meer deskundigen benoemen.
Zie art. 150b en de nieuwe Titel III ‘Onderzoek door de Rechter-Commissaris’ (met name de (nieuwe) artt. 181-185 Sv).
Zie in dit verband elders: nadere informatie m.b.t. de Wet Versterking Positie R-C.

De R-C kan in beginsel alleen deskundigen benoemen die voorkomen in het deskundigenregister.
Echter, als hij een deskundige met specialistische kennis en know how nodig heeft die (nog) niet voorkomt in het deskundigenregister, dan mag hij deze eveneens benoemen, maar dient hij wel expliciet te motiveren op grond waarvan de persoon in kwestie als deskundige kan worden aangemerkt.

Hij dient in dat geval de geschiktheid van de deskundige te toetsen aan de hand van dezelfde kwaliteitseisen als waaraan moet worden voldaan om geregistreerd te kunnen worden.
Zie art. 51k lid 2 Sv jo art. 12 Besluit Deskundigen in Strafzaken.

Ook het OM kan gedurende het vooronderzoek deskundigen benoemen (ambtshalve of op verzoek van de verdachte) op voorwaarde dat hij de verdachte daarvan schriftelijk op de hoogte stelt.
Zie art. 150a Sv.

Het OM kan, i.t.t. de R-C, uitsluitend geregistreerde deskundigen benoemen.
Zie  art. 150 Sv .

Als het OM een gespecialiseerde deskundige wil inschakelen die (nog) niet in het register voorkomt, is hij dus aangewezen op de R-C en zal hij bij de R-C een vordering benoeming deskundige moeten indienen (welke deskundige eveneens moet voldoen aan de zo-even besproken kwaliteitseisen).
Zie art. art. 227 Sv

Ten slotte kan – als gezegd – ook de verdachte aan het OM en/of de R-C verzoeken een bepaalde, al dan niet geregistreerde, deskundige te benoemen, mits ook hier weer is voldaan aan de geldende kwaliteitseisen.
Zie Art. 150b lid 2, art. 181 (nieuw) en art. 227 Sv jo art. 51k lid 2 Sv jo art. 12 Besluit.

Als het verzoek van de verdachte wordt gehonoreerd, komen de kosten daarvan voor rekening van de Staat.
Zie art. 51j lid 4 eerste zin Sv

Als het verzoek wordt afgewezen, kan de verdachte altijd nog zelf de deskundige inschakelen, maar dan blijven de kosten in beginsel voor eigen rekening, tenzij de R-C bepaalt dat de deskundige een vergoeding uit ’s Rijks kas ontvangt op dezelfde voet als een door het OM of de R-C bevolen onderzoek
Zie art 51j lid 4 tweede zin Sv.

Kortom: uitgangspunt is dat forensische deskundigen moeten voldoen aan bepaalde kwaliteitseisen, welke kwaliteitseisen in beginsel zijn gekoppeld aan registratie in het deskundigenregister, maar daarnaast ook gelden voor in te schakelen deskundigen die niet zijn geregistreerd.

Ad c
In de derde plaats heeft de nieuwe wet gevolgen voor de rol van de rechter. Het deskundigenonderzoek is vanouds gekoppeld aan het (binnenkort af te schaffen) gerechtelijk vooronderzoek. Echter, op grond van de nieuwe Wet Deskundige in Strafzaken heeft de R-C inmiddels – zo bleek – ook bemoeienis met de benoeming van deskundigen in de opsporingsfase, althans in bepaalde gevallen. In die zin is zijn werkterrein dus verruimd. Dat wordt ook tot uitdrukking gebracht in de nieuwe Wet Versterking Positie Rechter-Commissaris.

Maar ook in andere opzichten heeft de R-C wat (meer) in de melk te brokkelen als het gaat om de benoeming van deskundigen. Zo staat het hem vrij om – als hij ambtshalve een deskundigenonderzoek beveelt op grond van art. 187 lid 7 Sv (nieuw), maar ook als hij op verzoek van de verdachte of op vordering van het OM beslist onderzoekshandelingen te laten verrichten – meerdere deskundigen te benoemen. Dat kan hij wenselijk achten om het debat het strafproces binnen te halen. Bijvoorbeeld omdat hem is gebleken dat binnen de desbetreffende discipline eenduidige standpunten ontbreken, dan wel: er omstreden standpunten circuleren omtrent de kwestie waarover hij informatie behoeft.

Hoewel de wet daar niet over rept, mag worden aangenomen dat ook het OM bevoegd is meerdere deskundigen te benoemen als dat nodig wordt geacht.

Omdat het accent wat betreft het deskundigenonderzoek aanvankelijk (en nog steeds) op het vooronderzoek lag, stelde de bemoeienis van de zittingsrechter met deskundigenonderzoek veel minder voor.

De zittingsrechter had, tot voor kort althans, formeel gesproken een nogal lijdelijke rol. Hij was/is tot op zekere hoogte afhankelijk van de initiatieven van de partijen en/of de R-C op dit punt, zowel wat betreft de opdrachten tot een deskundigenonderzoek, als wat betreft het doen oproepen van deskundigen op de zitting.

Op grond van een nieuwe – op de Wet Deskundige in Strafzaken vooruitlopende – wettelijke voorziening heeft de zittingsrechter inmiddels ook wat meer greep op het betrekken van deskundigen bij het strafrechtelijke eindonderzoek. Het nieuwe lid 4 van art. 263 Sv biedt de rechter sinds enige tijd het recht om het OM te bevelen bepaalde deskundigen te doen oproepen op de zitting. Art. 315 (jo 316) Sv bood de rechter overigens al langer de mogelijkheid om in de loop van de zitting deskundigen te doen oproepen als hij dat nodig achtte. Het gebeurt/gebeurde dan niet zelden dat de rechter de zitting schorst om de deskundige in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te verrichten alvorens hij wordt gehoord. De zittingsrechter was wat dat betreft dus in de praktijk al niet zo lijdelijk als het naar de letter van de wet leek.

Binnenkort wordt – zo zou men kunnen zeggen – ook deze praktijk wettelijk verankerd:
Aan artikel 315 wordt lid 3 toegevoegd waarin de rechtbank zelf de bevoegdheid wordt toegekend om ambtshalve een deskundige te benoemen en hem opdracht te geven onderzoek te verrichten en daarvan schriftelijk verslag uit te brengen.


Enkele aanvullende opmerkingen m.b.t. de deskundige in het eindonderzoek.

De getuigenregeling van Titel VI, Tweede Boek Wetboek van Strafvordering (‘Behandeling van de zaak door de rechtbank’) is – op enkele uitzonderingen na – ook van toepassing op deskundigen (zie art. 299 Sv).

Belangrijkste uitzondering is de beëdiging.
Op grond van art. 290 lid 2 Sv wordt de getuige op de terechtzitting beëdigd dat hij de waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen.
Op grond van art. 51m Sv wordt de deskundige op de terechtzitting beëdigd dat hij naar waarheid en zijn geweten zal verklaren.

Daarnaast verschillen (vanzelfsprekend) de eisen die worden gesteld aan de verklaring van de getuige respectievelijk de verklaring van de deskundige (beide ‘bewijsmiddelen’).

De verklaring van de getuige dient te bevatten: feiten of omstandigheden die hij zelf heeft waargenomen of ondervonden (art. 342 lid 1 Sv).
De verklaring van de deskundige dient te bevatten: hetgeen zijn wetenschap en kennis hem leren omtrent datgene wat aan zijn oordeel is onderworpen (art. 343 Sv).

Zie ook art 51L lid 3 Sv op grond waarvan min of meer hetzelfde geldt voor deskundigenverslagen: de deskundige verklaart zijn verslag naar waarheid, volledig en naar beste inzicht te hebben opgesteld. Het verslag is gebaseerd op wat zijn wetenschap en kennis hem leren omtrent datgene wat aan zijn oordeel is onderworpen.
(Deskundigenverslagen worden ook tot de bewijsmiddelen gerekend; zie art. 344 lid 1 onder 4e, waarin deze laatste zinsnede nog eens wordt herhaald).

Daarnaast is ook Titel V Tweede Boek Wetboek van Strafvordering van belang voor deskundigen op de zitting.

Het OM  kan – naast getuigen, slachtoffer en tolken, ook deskundigen ter terechtzitting doen oproepen (art. 269 Sv)

De verdachte kan bij het OM getuigen en deskundigen opgeven om die door het OM te laten oproepen (art. 263 Sv).
Sinds enige tijd kan (ook) de voorzitter van de rechtbank het OM bevelen getuigen en/of deskundigen te doen oproepen.

Op grond van art. 264 lid 1 Sv kan het OM om verschillende redenen weigeren de opgegeven getuigen/deskundigen te doen oproepen, de zgn. a,b,c,-gronden:
a) de verschijning van de getuige/deskundige is onwaarschijnlijk (het nutteloosheidscriterium);
b) zwaar wegende gezondheids- of welzijnsrisico’s voor de getuige/deskundige;
c) de verdachte wordt door de weigering niet in zijn verdediging geschaad (het overbodigheidscriterium).

Zie ook de weigeringsgronden van lid 2: er is sprake van een bedreigde of afgeschermde getuige of een getuige aan wie is toegezegd dat hij als bedreigde of afgeschermde getuige zal worden gehoord;


Omdat de getuigenregeling van Titel VI Tweede Boek Sv ook van toepassing is op deskundigen, gelden art. 287 e.v. ook ten aanzien van deskundigen. Op grond art. 287 e.v. Sv  kan de rechter onder meer beslissen dat niet opgeroepen of niet verschenen getuigen/deskundigen alsnog dienen te worden opgeroepen (eventueel met een bevel van medebrenging; gijzeling is in geval van weigerachtige deskundigen niet mogelijk):

Art. 287 lid 1, 2 Sv:
De op het OTT verschenen getuigen/deskundigen worden gehoord.
Tenzij daarvan wordt afgezien
a) met toestemming OvJ en verdachte;
b) i.v.m. bepaalde gezondheids- en welzijnsrisico’s getuige
c) als de verdachte door het niet horen van de getuige/deskundige niet wordt geschaad in zijn verdedigingsbelang (overbodigheidscriterium)

Art. 287 lid 3 Sv:
Wat betreft de niet verschenen getuigen/deskundigen beveelt de Voorzitter
a) op verzoek van verdachte, of
b) als de Rb de oproeping zelf wenselijk acht,
alsnog de oproeping van getuigen/deskundigen die de OvJ heeft verzuimd of (o.g.v. art. 264-1) heeft geweigerd op te roepen.

Voorts beveelt de rechter de oproeping van getuigen/deskundigen die geen gevolg hebben gegeven aan een eerdere oproeping (evt. met last tot medebrenging. Zie ook art 444 Sr);

Art. 288 lid 1, 3 Sv:
De Rb kan van de oproeping afzien:
a) met de uitdrukkelijke instemming van verdachte en OvJ;
b) op dezelfde ‘a,b,c-gronden’ als van de gronden van art. 264-1 Sv;

Art. 288 lid 2 Sv:
In geval de OvJ de getuige/deskundige heeft toegezegd dat deze als bedreigde of afgeschermde getuige/deskundige zal worden gehoord (door de R-C, buiten het OTT om), geldt een speciale procedure; zie voor de bedreigde getuigen-regeling en de afgeschermde getuigen-regeling: art 226a-226f respectievelijk art. 226m-226s Sv;

Art. 290 lid 1 Sv:
De Rb vraagt naar de persoonsgegevens van de getuige/deskundige, maar kan bewerkstelligen dat de getuige/deskundige beperkt anoniem wordt gehoord;


Art. 315 Sv:
Op grond van art. 328 e.v. Sv kan de verdachte (en het OM) de rechter een beslissing ontlokken in de zin van art. 315. Daarin is geregeld dat de rechter kan besluiten getuigen/deskundigen die nog niet zijn gehoord op het OTT, te doen oproepen (of andere onderzoekshandelingen te doen verrichten). In feite betekent dit, dat de verdachte gedurende het OTT kan verzoeken nieuwe getuigen/deskundigen op te roepen. De rechter geeft gehoor aan dat verzoek als hij oordeelt dat het oproepen van deze getuigen noodzakelijk kan worden geacht. Overigens groeien het ‘verdedigingsbelang’ en het ‘noodzakelijkheidscriterium’ steeds meer naar elkaar toe, in het voordeel van de verdachte. Een dergelijk verzoek kan niet zomaar meer worden afgewezen.
Zie art. 328-330 jo 315, 316 Sv.
Zoals al bleek, wordt aan art. 315 een nieuw lid (lid 3) toegevoegd, waarin ook aan de rechtbank zelf de bevoegdheid wordt toegekend om ambtshalve een deskundige te benoemen en hem opdracht te geven onderzoek te verrichten en daarvan schriftelijk verslag uit te brengen.


Art. 289-297 Sv         
Overige onderwerpen: ondervraging, beëdiging/aanmaning, meineed, verschoningsrecht (art. 217-219a Sv), gijzeling, confrontatie getuigen, etc.

Tot slot:
Het nieuwe wettelijke stelsel m.b.t. deskundigenbewijs in het strafproces is niet van toepassing op (zogeheten) ‘technisch opsporingsonderzoek’. Daar vallen vele vormen van onderzoek onder, zodat moet worden geconstateerd dat het werkingsbereik van het nieuwe wettelijke stelsel maar zeer bescheiden is. Daar komt nog bij dat met het ‘vullen’ van het register de nodige tijd is gemoeid. Het zal nog wel even duren voordat het register echt ‘operationeel’ is.

woensdag 8 februari 2012

Jeugdstraf(proces)recht

Jeugdstraf(proces)recht
Aangepast (begin 2014) i.v.m. de inwerkingtreding van de Wet Adolescentenstrafrecht op 1 april 2014.
Zie voor de Wet Adolsecentenstrafrecht ook:



Vooraf

Jeugdstraf(proces)recht verschilt in bepaalde opzichten aanzienlijk van volwassenenstraf(proces)recht. De reden daarvan is, dat jongeren tot 23 jaar nog niet ‘af’ zijn, zo is uit onderzoek gebleken. Omdat ze geestelijk nog niet zijn uitontwikkeld, zijn ze (zo is de gedachte) nog niet volledig aansprakelijk voor hun daden.
Strafrechtelijk optreden tegen jeugdcriminaliteit staat dan ook zoveel mogelijk in het teken van ‘pedagogische doelen’, zoals het opvoedingsbelang en de beschermingsgedachte.

De andere kant van het verhaal is dat de samenleving zoveel mogelijk moet worden beschermd tegen jeugdcriminaliteit. Met het oog daarop moet er soms stevig worden opgetreden, opvoedingsbelang of niet.

De kunst is om daarin een goede balans te vinden. Dus wel sancties die – zowel door de dader als door de samenleving – als een echte afschrikwekkende straf worden ervaren, en die ook bijdragen aan de bescherming van de samenleving tegen jeugdcriminaliteit, maar waarmee tevens de verschillende pedagogische doelen worden gediend.


Leeftijdscategorieën
Tegenwoordig gelden de volgende (gefixeerde) leeftijdgrenzen:

Voor verdachten jonger dan 12 jaar (ten tijde van het begaan van het delict) geldt:
Geen strafrechtelijke aansprakelijkheid, dus geen vervolging mogelijk wegens een strafbaar feit. Zie art. 486 Sv.
Er is dan sprake van een onweerlegbaar vermoeden van ontoerekenbaarheid.

Wel zijn andere maatregelen mogelijk als er een strafbaar feit is gepleegd. Vgl. de civielrechtelijke jeugdbeschermingsmaatregelen, waarbij als uitgangspunt geldt dat de ouders verantwoordelijk zijn voor de opvoeding van het kind van jonger dan 12 jr. Zij kunnen in hun verantwoordelijkheid en zorgplicht tekort schieten, hetgeen bijv. kan leiden tot een onder toezichtstelling en zelfs tot uithuisplaatsing (vgl. de beschermingsgedachte).

Let wel: strafrechtelijke opsporing is wel steeds mogelijk.
Zie art. 487: een aantal artikelen uit het volwassenenstrafprocesrecht is van toepassing verklaard op jeugdigen jonger dan 12 jaar. Zo kunnen ze worden aangehouden en opgehouden voor verhoor (voor maximaal 6 uur), maar kunnen ze niet in verzekering worden gesteld of voorlopig worden gehecht.

Voor jeugdigen van 12 jaar en ouder geldt het speciale (materiële) jeugdstrafrecht, dat voor een belangrijk deel afwijkt van het volwassenenstrafrecht (art. 77a e.v. Sr), en het speciale jeugdstrafprocesrecht, dat slechts op enkele punten afwijkt van  het gewone volwassenenstrafprocesrecht (vgl. art. 488 Sv).

Voor jongeren van 12 tot 18 jaar (ten tijde van het begaan van het delict) gelden dus niet alleen de bijzondere materieelrechtelijke bepalingen, maar ook de bijzondere procesrechtelijke bepalingen (de artt. 486 e.v. Wetboek van Strafvordering).

Het stelsel gaat uit van een trapsgewijs overgangsgebied tussen jeugdstrafrecht en volwassenenstrafrecht. Uitgangspunt is: toenemende strafrechtelijke aansprakelijkheid met het klimmen der jaren.

Zo kán de rechter ten aanzien van 16 en 17-jarigen het (materieelrechtelijke) volwassenenstrafrecht toepassen i.p.v. het jeugdstrafrecht als de rechter daartoe de gronden aanwezig acht wegens:
-                     de ernst van het begane feit
-                     de persoonlijkheid van de dader (ten tijd van de berechting)
-                     de omstandigheden waaronder het feit is begaan
Zie art. 77b-1 Sr.

Anderzijds kan de rechter ten aanzien van 18, 19 en 20-jarigen het (materieelrechtelijke) jeugdstrafrecht toepassen als de rechter daartoe de gronden aanwezig acht wegens:
-                     de persoonlijkheid van de dader (ten tijde van de berechting)
-                     de omstandigheden waaronder het feit is begaan
Zie art. 77c Sr
Let wel: in dat geval geldt wel het gewone strafprocesrecht, want jeugdstrafprocesrecht geldt altijd tot 18 jaar (t.t.v. het delict).

N.B.: Zodra de wet adolescentenstrafrecht is ingevoerd (april 2014) wordt de leeftijdsgrens van art. 77c Sr verhoogd tot 23 jaar (waarmee de categorie jong volwassenen op wie onder omstandigheden het jeugdrecht van toepassing wordt verklaard, wordt uitgebreid met 21-jarigen en 22-jarigen).
Zie ook de voorstellen/wetswijzigingen bij de hierna besproken sancties en voorzieningen)

Ten slotte gelden voor jongeren tot 18 jaar speciale regels voor de executiefase. Vgl. de BJJ (beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen). Vrijheidsstraffen en -maatregelen worden ten uitvoer gelegd in speciale penitentiaire inrichtingen (jeugdgevangenissen).


a.                  het materiële strafrecht (afwijkingen en andere kenmerken)

Bij voorkeur dient eerst te worden gekozen voor alternatieve of buitengerechtelijke afdoening (de zgn. diversie, ook wel rechtsomlegging genoemd):

-                     Het zgn. politie-sepot (bagatelzaken): er wordt volstaan met een waarschuwing en het overdragen van het kind aan de ouders, die het van het politiebureau moeten komen ophalen;
-                     Vrijwillige deelname aan een Halt-afdoening voor maximaal 20 uur: art. 77e Sr. (Bijvoorbeeld het verrichten van taken of werkzaamheden in relatie tot het delict, of tot algemeen nut, dan wel tot schadeherstel bij de benadeelde). Daarmee kan – in de daarvoor in aanmerking komende gevallen – toezending van het P-V door de opsporingsambtenaar aan het OM worden voorkomen
-                     De OM-afdoening (die komt fasegewijs in de plaats van de transactie; de transactie betreft/betrof een schikking om vervolging te voorkomen; de OM-afdoening is een beschikking: het OM legt een sanctie op. Dat wordt als een daad van vervolging gezien).
De OM-afdoening kent in de context van het jeugdstrafrecht de volgende bijzondere sancties:
a)   De ‘aanwijzing’ (een soort bijzondere voorwaarde) dat de dader zich richt naar de aanwijzingen van de jeugdhulpverlening (de afdeling jeugdreclassering van het Bureau Jeugdzorg) dan wel: dat de dader van 16 jaar of ouder zich richt naar de aanwijzingen van een reclasseringsinstelling, voor maximaal 6 maanden. Dit is de zgn. Maatregel van Hulp en Steun volgens het zogeheten officiersmodel (art. 77f-1 Sr). E.e.a. valt niet in alle opzichten samen met de maatregelen in het kader van het Besluit Gedragsbeïnvloedende Jeugdigen (zie verderop), maar lijkt daar wel erg op.
b)   Voorts: het opleggen van een taakstraf voor maximaal 60 uur volgens het officiersmodel (art. 77f-2 Sr).

(N.B.: voor zover de taakstraf nog kan worden opgelegd in het kader
van een transactie, mag de taakstraf maximaal 40 uur omvatten).

Hoewel deze voorwaarden naar de letter van de wet kunnen worden beschouwd als eenzijdig opgelegde strafrechtelijke sancties (ook al wordt de ‘aanwijzing’ niet met zoveel woorden genoemd in het ‘sanctieartikel’ 77h Sr), hebben ze toch een zeker ‘consensueel’ karakter. De verdachte kan door het voldoen aan de aanwijzing, of door het verrichten van de taakstraf, erger voorkomen. In die zin kan worden gesproken van ‘voorwaardelijke of alternatieve afdoening’. Tegelijkertijd kan het OM met deze aanwijzing en met de taakstraf gericht (gedragsbeïnvloedend) sturen met als stok achter de deur een ‘echte’ strafrechtelijke sanctie.


-                     Ten slotte kan nog worden gewezen op het voorwaardelijk sepot, bijvoorbeeld in het kader van een bemiddeling (in het voortraject) tussen dader en slachtoffer voor wat betreft de schadevergoeding aan het slachtoffer. Bij schadevergoeding kan het OM besluiten te seponeren.


Als alternatieve of buitengerechtelijke afdoening geen soelaas biedt, kan de rechter worden ingeschakeld en kan worden gekozen voor een (‘echte’) voorwaardelijke of onvoorwaardelijke strafrechtelijke sanctie, meestal met een opvoedkundig/pedagogisch karakter. Zoals:

-                     De voorwaardelijke niet ten uitvoerlegging van strafrechtelijke sancties, ook wel ‘voorwaardelijke straf’ of ‘voorwaardelijke veroordeling’ genoemd (zoals voorwaardelijke jeugddetentie, voorwaardelijke taakstraf, voorwaardelijke boete, voorwaardelijke gedragsbeïnvloedende maatregel, etc.). Art. 77z Sr

De rechter kan/moet aan de niet-tenuitvoerlegging voorwaarden verbinden waaraan moet worden voldaan binnen een bepaalde proeftijd van maximaal 2 jaar.

De bijzondere voorwaarden die de rechter kan verbinden aan de niet-tenuitvoerlegging, zijn/waren voorheen opgenomen in art. 3 van het Besluit Gedragsbeïnvloeding Jeugdigen (de Algemene Maatregel van Bestuur waar art 77z Sr naar verwijst/verwees).
Met de inwerkingtreding van de Wet Adolescentenstrafrecht zullen de voorwaarden in art. 77z Sr zelf worden opgenomen.

De ‘gedragsbeïnvloedende maatregel’ die de rechter als bijzondere voorwaarde kan ‘opleggen’, kan bijvoorbeeld inhouden dat de dader zich richt naar de aanwijzingen van de jeugdreclassering: de zgn. – en daarnet al even besproken – Maatregel Hulp en Steun. Daartoe wordt de afdeling jeugdreclassering van een voogdij-instelling (Bureau Jeugdhulp) ingeschakeld of een door die instelling begeleide vrijwilliger, dan wel door de eventuele gezinsvoogd i.g.v. OTS.

(In het kader van deze Maatregel Hulp en Steun kennen we bijvoorbeeld de Individuele Trajectbegeleiding Criminaliteit Etnische minderheden, afgekort als ITC CRIEM).
Zie art. 77x. 77z en 77aa-2 Sr.

N.B.: De voorwaarden die in het kader van voorwaardelijke niet-tenuitvoerlegging kunnen worden opgelegd, worden uitgebreid met voorwaarden als:
-     het volgen van onderwijs
-     elektronisch toezicht
-     locatieverboden en –geboden
-     strafdienstplicht
Daarnaast wordt er een ‘time-out-mogelijkheid’ ingevoerd voor het geval de veroordeelde zich niet houdt aan de voorwaarden bij de voorwaardelijke PIJ-maatregel, of zich niet houdt aan het behandelprogramma van de ‘gedragsmaatregel’. Dat betekent een tijdelijke vrijheidsbeneming
Tevens zullen de mogelijkheden voor het OM om snel in te grijpen als de veroordeelde zich niet aan de voorwaarden houdt, worden uitgebreid en aangescherpt.

Met deze voorwaardelijke niet-ten-uitvoerlegging van de strafrechtelijke sanctie heeft de rechter eveneens – evenals in het kader van de alternatieve afdoeningsvormen in het voortraject – een instrument in handen om de dader ‘opvoedkundig te sturen’, met als stok achter de deur de ten uitvoerlegging van de straf.

N.B.: De rechter heeft inmiddels ook de mogelijkheid om naast een contact- of gebeidsverbod als voorwaarde bij een voorwaardelijke niet ten uitvoerlegging, ook een contactverbod of een gebiedsverbod als zodanig op te leggen (art 38,v,w,x,y Sr). Voordeel is dat deze in bepaalde gevallen direct uitvoerbaar is te maken (de zgn. uitvoerbaarheid bij voorraad).

Zo-even zagen we al dat een met deze ‘gedragsmaatregel’ vergelijkbare bijzondere voorwaarde ook een rol kan spelen bij de OM-afdoening.
Voorts kan een soortgelijke voorwaarde ook worden verbonden aan de voorwaardelijke schorsing van de voorlopige hechtenis. Zie 493-6 Sv, waaruit dat blijkt.
Zie wat dat laatste betreft ook art. 2 van het Besluit Gedragsbeïnvloeding Jeugdigen en de desbetreffende wetsartikelen.

-                     Een andere strafrechtelijke stok achter de deur is de vervangende jeugddetentie, die de rechter moet vaststellen voor het geval de veroordeelde een taakstraf niet naar behoren verricht, of niet naar behoren meewerkt aan een Gedragsmaatregel die de rechter als sanctie heeft opgelegd.
(In geval van een geldboete kán de rechter vervangende jeugddetentie vaststellen).

Er zijn dus twee vormen van tenuitvoerlegging:
a) de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf of maatregel (als de veroordeelde zich niet aan de voorwaarden houdt)
b) de tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie als de veroordeelde een bepaalde opgelegde straf/maatregel niet naleeft.

-                     Voorts kent het Wetboek een regeling m.b.t. de door de rechter evt. op te leggen taakstraf, die overigens van langere duur kan zijn dan het OM kan opleggen in het kader van de OM-afdoening.
De door de rechter op te leggen taakstraf kan inhouden: een ‘pedagogische’ werkstraf of een leerstraf (art. 77h lid 2 Sr). Alweer een instrument om de jeugdige delinquent het juiste pad op te sturen (vooral in combinatie met de vervangende jeugddetentie).

N.B.: Bij bepaalde ernstige zeden- en geweldsdelicten zal de mogelijkheid van een taakstraf worden uitgesloten, tenzij naast de taakstraf tevens jeugddetentie, een gedragsmaatregel of een PIJ-maatregel wordt opgelegd (art. 77ma Sr nieuw)

-                     En als het echt niet anders kan, resten nog slechts de echt gevoelige strafrechtelijke sancties (in de zin van leedtoevoeging) zoals
o   jeugddetentie (een straf)
o   plaatsing in een jeugdinrichting (een maatregel),
Beide overigens meestal met een opvoedend karakter (art. 77i e.v. en 77s e.v.).
Of de wat minder ingrijpende sancties, zoals:
o   de geldboete (art. 77L e.v. Sr),
o   de ontzegging van de rijbevoegdheid ( art. 77r Sr)
o   of één van de andere bijkomende straffen (en maatregelen) die staan vermeld in art. 77h Sr.

(N.B.: Aan de maatregelen van art. 77h is het ‘rechterlijk gebieds- of contactverbod’ toegevoegd. Zie boven. Deze maatregel is niet uitgesloten verklaard in art. 77a Sr, dus ook van toepassing in het jeugdstrafrecht.
Bovendien wil de regering het mogelijk maken dat de ISD-maatregel (vaker) kan worden opgelegd aan jongvolwassenen)

-                     Een bijzondere strafrechtelijke maatregel, die voortvloeit uit de politieke wil van de laatste decennia om enerzijds recht te doen aan de opvoedings- en beschermingsgedachte en anderzijds de voortdurend toenemende jeugdcriminaliteit serieus aan te pakken, is de al eerder genoemde nieuwe maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (de Gedragsbeïnvloedende Maatregel (GBM) of de Gedragsmaatregel).
Art. 77w-77wd Sr.
In dat verband dient de veroordeelde zich te onderwerpen aan bepaalde gedragsbeïnvloedende interventies (dergelijke gedragsbeïnvloedende interventies kunnen dus niet alleen als voorwaarden worden gesteld bij: a) een ‘aanwijzing’ in het kader van een OM-beschikking, b) bij een voorwaardelijke straf of c) bij een voorwaardelijke invrijheidstelling, d) dan wel bij de voorwaardelijke schorsing van de voorlopige hechtenis, 
maar kunnen in een enigszins aangepaste vorm ook door de rechter worden opgelegd als zelfstandige maatregel.

Andere onderscheidende kenmerken

-                     Wat betreft bepaalde andere kenmerken van het materiële jeugdstrafrecht, kan nog worden gewezen op het feit dat er geen strafmaxima gelden per delict, maar een algemeen strafmaximum dat afhankelijk is van de leeftijd van de jeugdige dader. (Zie art. 77h t/m 77gg Sr).

Zo is de duur van jeugddetentie
o   voor jeugdigen van 12 t/m/ 15 jr. maximaal 12 maanden,
o   en voor overige jeugdigen (16-17 jarigen en onder omstandigheden ook jong volwassenen) voor wie het jeugdstrafrecht van toepassing is: maximaal 24 maanden (art. 77i Sr).

En zo bedraagt de maximale geldboete die kan worden opgelegd, 3700.-  (art. 77L Sr). Overigens mag die natuurlijk niet uitstijgen boven de boete waarmee de afzonderlijke strafbare feiten worden bedreigd.

De duur van de maatregel ‘plaatsing in een inrichting voor jongeren (PIJ)’ is maximaal 3 jaar.
Echter, deze termijn kan (i.g.v. een zeden- of geweldsdelict) worden verlengd tot maximaal 5 jaar, respectievelijk (in geval van een ontoerekeningsvatbare dader) tot 7 jaar indien dit met het oog op de algemene veiligheid van personen en in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte noodzakelijk wordt geacht (zie art. 77s en 77t).

N.B.: Sinds de inwerkingtreding van de Wet ‘Aanpassing tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende jeugdsancties’ op 1 juli 2011, is de maximum duur verhoogd met 1 jaar tot respectievelijk 3, 5 en 7 jaar.
Daar staat tegenover dat de PIJ-maatregel 1 jaar voor de maximum termijn (dus na 2, 4 of 6 jaar) voorwaardelijk eindigt. Dat laatste met het oog op de nazorg.
Het nieuwe art. 77ta Sr heeft betrekking op de voorwaarden waaraan de dader in het kader van de voorwaardelijke beëindiging moet voldoen.
En het nieuwe art. 77tb Sr regelt de mogelijkheid om de voorwaardelijke beëindiging met een jaar te doen verlengen (door de rechter) en daarbij aanvullende voorwaarden te stellen. In dat artikel worden ook de consequenties van de terugplaatsing geregeld.

Na de inwerkingtreding van de Wet Adolescentenstrafrecht zal een voorwaarde voor het opleggen van een PIJ-maatregel zijn: een gebrekkige of ziekelijke stoornis van de geestvermogens (art 77s Sr).
Een andere belangrijke wijziging zal zijn, dat de PIJ-maatregel die maximaal is verlengd, kan worden omgezet in TBS.

Ten slotte nog de maximum termijn voor de Gedragsbeïnvloedende Maatregel.
Deze mag voor (minimaal 6 maanden en) maximaal 1 jaar worden opgelegd, één maal te verlengen met ten hoogste eenzelfde termijn


In dit verband moet er nog wel op worden gewezen dat poging, voorbereiding, deelneming en medeplichtigheid, alsmede de samenloopregels, in het jeugdstrafrecht geen invloed op de strafmaxima en de feitelijk op te leggen sancties (art. 77gg Sr).
Dat laatste kan eveneens tot minder hoge straffen leiden.


Andere maxima:

Deelname aan een HALT-project mag maximaal 20 uur duren (art. 77e-4 Sr).

De duur van een taakstraf (werkstraf of leerproject) bedraagt maximaal 200 u. (art. 77m-2 Sr).
En in geval van een combinatie van taakstraffen: maximaal 240 u. (art. 77m-6 Sr). Deze maximale aantallen uren taakstraf moeten wel binnen bepaalde termijnen worden verricht.

De zgn. Maatregel van Hulp en Steun volgens het ‘officiersmodel’ in het kader van de OM-afdoening (art. 77f-1 Sr) mag maximaal – zo bleek – 6 maanden duren.
En het opleggen van een taakstraf volgens het officiersmodel (art. 77f-2 Sr) mag maximaal 60 uur (OM-afdoening) respectievelijk maximaal 40 uur (transactie zolang die nog mogelijk is) omvatten.

Voor de Maatregel van Hulp en Steun en andere gedragsbeïnvloedende voorwaarden (art. 3 Besluit Gedragsbeïnvloedende maatregelen Jeugdigen) in het kader van de voorwaardelijke niet tenuitvoerlegging van sancties geldt de normale proeftijd: maximaal 2 jaar (art. 77y Sr).

En ten slotte:
De verjaringstermijnen met betrekking tot misdrijven zijn ten opzichte van het volwassenenstrafrecht de helft korter, uitgezonderd voor bepaalde zedendelicten door 16-17-jarigen (art. 77d)

Kortom: al deze maxima duiden er op dat in het jeugdstrafrecht de straffen over het algemeen aanzienlijk milder uitvallen dan in het volwassenenstrafrecht.

           

b.                 Het strafprocesrecht; bijzondere/afwijkende regelingen

-                     In het strafprocesrecht geschiedt de berechting van de jeugdige verdachte door een gespecialiseerde kinderrechter (495-1 Sv).

Die maakt ook deel uit van de meervoudige kamer als daarvoor wordt gekozen in geval van ‘zware zaken’, met name als meer dan 6 maanden jeugddetentie wordt gevorderd door het OM (art. 495-2 Sv).

De kinderrechter treedt ook op tijdens het vooronderzoek, bijvoorbeeld als Rechter Commissaris in het kader van de toepassing van voorlopige hechtenis (en m.n. de inbewaringstelling).

N.B.:
De kinderrechter kan (na de inwerkingtreding van de Wet Adolescentenstrafrecht) ook kennis nemen van strafbare feiten die zijn begaan nadat de verdachte 18 jaar is geworden indien de vervolging van die strafbare feiten gelijktijdig plaatsvindt met de vervolging van strafbare feiten die hij voor zijn 18e heeft gepleegd (art 459 lid 4 e.v. Sv nieuw).

-                     Er dient overleg te worden gevoerd tussen het OM en de Raad van de Kinderbescherming over de vervolgingsbeslissingen van het OM (art. 494 Sv) en een evt. bevel inverzekeringstelling en bewaring (art. 491 Sv).

-                     Ouders (of voogd) worden betrokken bij het strafproces (art. 496 Sv).

Ze worden opgeroepen voor het onderzoek ter terechtzitting en kunnen tijdens de zitting ‘meepraten’. Sinds enige tijd is de aanwezigheid van de opgeroepen ouders op de zitting verplicht, uitzonderingen daargelaten. Zie art. 496a Sv.

Ze kunnen ook bij andere belangrijke verhoren worden uitgenodigd, zoals in het kader van een bevel tot  inverzekeringstelling en bewaring, maar dat is (net zomin als hun aanwezigheid bij het politieverhoor) niet wettelijk geregeld.

Ze hebben voorts vrije toegang tot hun kind als hun kind in voorlopige hechtenis is genomen, tenzij hun kind in een justitiële jeugdinrichting verblijft.

-                     In veel gevallen wordt aan de jeugdige verdachte een raadsman toegevoegd (art. 489 Sv). De jeugdige verdachte kan vaak al snel over een raadsman beschikken. Sinds de Salduz-uitspraak (EHRM) en de uitleg daarvan door de HR en het OM, mag de raadsman zelfs aanwezig zijn bij het eerste verhoor door opsporingsambtenaren (i.t.t. het volwassenenstrafrecht; daar mag de verdachte voorafgaand aan het eerste verhoor contact hebben met diens raadsman)

-                     Berechting geschiedt achter gesloten deuren ter voorkoming stigmatisering en uit oogpunt van privacy-bescherming etc. (art. 495b Sv)

-                     De verdachte heeft een verschijningsplicht (art. 495a Sv). Dat geldt - na de inwerkingtreding van de Wet Adolsecentenstrafrecht - ook voor jongvolwassenen t/m 22 jaar op wie het jeugdstrafrecht van toepassing is verklaard overeenkomstig art. 77c Sr. (art. 260 Sv nieuw). Eventueel af te dwingen door een bevel tot medebrenging.

-                     Procedures dienen vlotter te zijn afgerond dan in het volwassenenstrafrecht (binnen 6 mnd. i.p.v. binnen 12 mnd.). De zgn. Kalsbeeknorm.

-                     Als gezegd, zijn de verjaringstermijnen m.b.t. misdrijven ten opzichte van het volwassenenstrafrecht de helft korter, uitgezonderd voor bepaalde zedendelicten door 16-17-jarigen (art. 77d). Het OM verliest dus eerder zijn vervolgingsrecht.

Wat betreft de voorfase van het onderzoek en de voorlopige hechtenis:

-                     De voorlopige hechtenis kan worden ondergaan op de ‘meest geschikte plaats’ (dat hoeft dus niet automatisch een justitiële jeugdinrichting te zijn) (art. 493-3 Sv)

-                     Voorts dient de rechter z.s.m. na te gaan of de bevolen voorlopige hechtenis kan worden geschorst (art. 493 Sv).

De rechter kan daaraan bijzondere voorwaarden verbinden (naast de algemene voorwaarde dat de verdachte, als de opheffing van de schorsing mocht worden bevolen, zich niet aan de tenuitvoerlegging daarvan zal onttrekken, en dat hij zich evenmin zal onttrekken aan de vrijheidstraf waartoe hij mogelijk wordt veroordeeld ter zake van het feit waarvoor hij voorlopig is gehecht (art. 493-6 jo 80 Sv)).

Het verbinden van voorwaarden aan de schorsing van de voorlopige hechtenis houdt goedbeschouwd in, dat er al strafrechtelijk (en niet alleen strafprocesrechtelijk) kan worden ingegrepen terwijl het feit nog niet eens is bewezen.
Dat staat op gespannen voet met de onschuldpresumptie, ook al betreft het geen ‘echte’ strafrechtelijke sanctie en al kan de rechter slechts voorwaarden verbinden aan de schorsing als de verdachte daarmee instemt.

Eén van de mogelijke bijzondere voorwaarden is: de bijzondere voorwaarde Hulp en Steun. Vgl. voorheen de ‘schorsingspraktijk’ in Amsterdam (het Amsterdams model): individuele trajectbegeleiding voor stelselmatige daders als bijzondere voorwaarde voor schorsing van de voorlopige hechtenis.

Een andere (nieuwe) mogelijkheid is in dat verband: de aan de schorsing te verbinden voorwaarde van het volgen van een scholings- en trainingsprogramma (STP; zie BJJ), hetgeen in de praktijk overigens niet of nauwelijks werkbaar lijkt te zijn.

(N.B.: Ook in het kader van jeugddetentie kan (in dat geval) de veroordeelde een scholings- en trainingprogramma volgen).

Zie voorts de nieuwe voorwaarden uit art. 2 van het het Besluit Gedragsbeïnvloeding Jeugdigen, die inmiddels (ook) een belangrijke rol spelen in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

Daarmee is de mogelijkheid geschapen om tot een bredere toepassing van het (Amsterdams) schorsingsmodel te komen, met een grote variatie van (op de persoon van de verdachte af te stemmen) bijzondere voorwaarden in de voorfase van het strafproces.
Zoals: leerprojecten, aanwijzingen van de jeugdreclassering, gebiedsverboden, meldplichten, het verbod op het gebruik van alcohol of drugs, intensieve begeleiding, etc.

N.B.:
Met de inwerkingtreding van de Wet Adolescentenstrafrecht worden aan art. 63 (vordering/bevel bewaring) twee nieuwe leden toegevoegd. Die houden kort gezegd in dat indien de OvJ m.b.t. een verdachte van 18 t/m 20 jr. voornemens is te vorderen dat het jeugdstrafrecht van toepassing wordt verklaard overeenkomstig art. 77c (nieuw) Sr, art. 493 Sv van toepassing is. In dat geval geldt dus het bovenstaande (in beginsel schorsing - eventueel onder voorwaarden - van de voorlopige hechtenis).


c.                  de sancties; speciale voorzieningen in het penitentiaire jeugdrecht

-                     Voor de wijze waarop de strafrechtelijke sancties voor jeugdigen ten uitvoer worden gelegd, en de waarborgen waarmee deze tenuitvoerlegging is omringd, hebben (de totstandkoming van) het IVRK, en meer algemeen de tendens van de afgelopen decennia om de jeugdige als rechtssubject meer eigen rechten toe te kennen, een belangrijke rol gespeeld.
Vgl. de klachtrechten van art 65 t/m 73 BJJ. Zoals bijv. het recht van beroep bij de beroepscommissie van de Raad voor Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) tegen uitspraken van de zgn. Commissie van Toezicht (CvT) op beklagschriften.
En voorts het recht van beroep bij de RSJ (na bezwaar) tegen een beslissing van de selectiefunctionaris betreffende plaatsing of overplaatsing, of tegen beslissingen over verlof, proefverlof, strafonderbreking of deelname aan een scholings- en trainingsprogramma.

-                     Een bijzonder kenmerk van het penitentiaire jeugdrecht is, dat de vrijheidsbenemende sancties ten uitvoer worden gelegd in speciale inrichtingen, met speciale regimes, die veelal in de sleutel worden gezet van opvoeding.

-                     Daarnaast wordt nazorg na jeugddetentie inmiddels verplicht gesteld.

(N.B. Op grond van de wet ‘aanpassing tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende jeugdsancties’ is ook een flink aantal artikelen van de Beginselenwet Justitiële Jeugdinrichtingen (BJJ) aangepast en toegevoegd.
Zo vervalt het onderscheid tussen ‘opvanginrichtingen’ (voor jeugddetentie) en ‘behandelinrichtingen’ (voor de PIJ-maatregel) en worden het verplichte ‘verblijfsplan’ en/of het ‘behandelplan’ dat de directeur voorheen moest opstellen voor de jeugdige, vervangen door het verplichte ‘perspectiefplan’.)


De executie van vrijheidsbenemende sancties

Justitiële Jeugdinrichtingen

Voor vrijheidsbeneming gelden speciale wetten: de zgn. beginselenwetten.
-                     Voor gewone gevangenisstraf: de Penitentiaire Beginselenwet (PBW);
-                     Voor tbs’ers met dwangverpleging: Beginselenwet Verpleging Ter beschikking gestelden (BVT);
-                     En voor jeugdigen die van hun vrijheid worden beroofd: de Beginselenwet Justitiële Jeugdinrichtingen (BJJ)

Deze laatste wet geeft regels over de tenuitvoerlegging van opgelegde vrijheidsbenemende straffen en maatregelen in het jeugdrecht.

Plaats van executie:

Vrijheidsstraffen of vrijheidsbenemende maatregelen of dwangmiddelen worden ten uitvoer gelegd in ‘inrichtingen’. Art 8 BJJ somt de verschillende categorieën jeugdigen (en redenen voor vrijheidsbeneming) op voor wie (waarvoor) de inrichtingen zijn bedoeld. 
Zie voor de uitwerking: Hoofdstuk III ‘De inrichting’ van de BJJ (art. 8 t/m 19).


Enkele aandachtspunten:

Art. 1 BJJ: bevat definities van bepaalde begrippen (daar beginnen alle beginselenwetten mee).

Art. 2 BJJ: omschrijft de doelstelling van de justitiële jeugdinrichting:

Art. 2 lid 1 BJJ: vrijheidsbeneming kan op 2 manieren: door opsluiting in een inrichting en in de vorm van deelname aan een scholings- en trainingsprogramma (geregeld in art. 3 BJJ).
Zie ook de Richtlijn Scholings- en trainingsprogramma. In de praktijk lijkt dit nog niet zo te werken.
Art. 2 lid 2 BJJ omschrijft de doelstelling van de tenuitvoerlegging van de straf of maatregel: ‘de tenuitvoerlegging wordt aangewend voor de opvoeding van de jeugdige en zoveel mogelijk dienstbaar gemaakt aan de voorbereiding op diens terugkeer in de maatschappij’ (dat lijkt in lijn met het IVRK)

Art. 8 BJJ (nieuw): Waarvoor en voor wie zijn de verschillende inrichtingen bestemd? De Minister bepaalt de bestemming van elke inrichting.

Art. 9 BJJ (nieuw): voor inrichtingen geldt in beginsel een gescheiden opvang van jongens  en meisjes.

Art. 10 BJJ (nieuw): er wordt onderscheid gemaakt naar de graad van beveiliging.
Beperkt beveiligd: open inrichtingen of afdelingen.
Normaal beveiligd: gesloten inrichtingen of afdelingen.
De Minister bepaald de mate van beveiliging.

Art. 20 BJJ (nieuw) schrijft voor dat de directeur van de inrichting uiterlijk binnen drie weken na de binnenkomst van de jeugdige een perspectiefplan vaststelt.

Art. 22c (nieuw) geeft een regeling m.b.t. de zgn. ‘individuele trajectbegeleiding’

Art. 22d (nieuw) regelt de mogelijkheid om de jeugdige aan wie een PIJ-maatregel is opgelegd, ter observatie voor maximaal 7 weken te plaatsen in een daartoe aangewezen inrichting.

Art. 23 en 23a (nieuw) hebben betrekking op maatregelen van uitsluiting of beperking van deelname aan activiteiten.

Een laatste praktisch punt: de overgang van PIJ naar TBS.

Jeugdstrafrecht, dus ook de PIJ-maatregel, kan (bij uitzondering) op grond van art. 77c worden toegepast op jeugdigen van 18 jaar en ouder, dus op meerderjarigen. Maar meerderjarigen in een jeugdinrichting kan onwenselijk zijn. Art. 77c Sr biedt daarvoor een uitweg en bepaalt dat als het jeugdstrafrecht wordt toegepast op meerderjarigen, de opgelegde PIJ maatregel in een TBS-kliniek ten uitvoer wordt gelegd

Maar als de veroordeelde op zijn 16e of 17e een PIJ-maatregel opgelegd heeft gekregen, dan kan hij in theorie nog tot zijn 22e of 23e in een jeugdinrichting moeten verblijven. Immers, de PIJ-maatregel kan – zo bleek – maximaal 7 jaar duren, zodat de veroordeelde tijdens de PIJ-maatregel meerderjarig kan worden.  Art. 4, lid 1, sub f, Beginselenwet Verpleging Ter beschikking gestelden (BVT) voorziet daarin. Op grond van dat artikel kunnen degenen die zijn veroordeeld tot een PIJ-maatregel ook in een TBS-kliniek worden geplaatst (als dat voor de behandeling wenselijk is). Maar de regels van het jeugdstrafrecht (PIJ-maatregel) blijven dan van toepassing. De veroordeelde wordt dan geen TB-gestelde.  

Andersom kunnen ter beschikking gestelden niet in een jeugdinrichting worden geplaatst, met uitzondering van 16-17jarigen op wie o.g.v. art. 77b Sr het volwassenenstrafrecht van toepassing is verklaard, en aan wie TBS is opgelegd. Dat kan echter alleen voor zover ze de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, en de Minister of de rechter heeft bepaald dat de jeugdige – gelet op diens ontwikkeling – in een jeugdinrichting moet worden geplaatst.


Tenuitvoerlegging jeugddetentie ouder dan 18 jaar
Aangenomen mag worden dat jeugddetentie wel gewoon ten uitvoer wordt gelegd in een jeugdinrichting als de veroordeelde 18 jaar is geworden tijdens het uitzitten van zijn straf.
Dat lijkt ook voor de hand te liggen met oog op art. 77c Sr: de rechter kan onder omstandigheden jeugddetentie (en een PIJ-maatregel) opleggen aan iemand tussen 18 en 21 jaar (en in de toekomst 23 jaar). Wat betreft de PIJ-maatregel wordt expliciet geregeld dat die ten uitvoer kan/moet worden gelegd in een TBS-kliniek. Zie boven. Voor de jeugddetentie wordt niets nader geregeld, zodat aangenomen mag worden dat - als de veroordeelde tijdens het uitzitten van zijn straf de leeftijd van 18 jaar bereikt - de straf gewoon moet worden uitgezeten in een jeugdinrichting.