dinsdag 17 januari 2012

Strafuitsluitingsgronden in schema



Vooraf:

Als iemand een strafbaar feit heeft gepleegd (dat wil zeggen: als de gedraging waarvan hij wordt beschuldigd, daadwerkelijk bewezen is verklaard, en daarnaast ook nog in alle opzichten voldoet aan een wettelijke delictsomschrijving) houdt dat in dat hij 'wederrechtelijk' en 'verwijtbaar' heeft gehandeld.

Anders gezegd: wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid liggen besloten in, zijn inherent aan, alle gedragingen die in de wet als strafbaar feit zijn aangemerkt.

De wetgever heeft getracht alle wederrechtelijke en verwijtbare gedragingen te 'vatten' in een zo compleet mogelijk palet van (zo precies mogelijk omschreven) strafbepalingen. Maar de wetgever heeft natuurlijk niet alle bijzondere situaties kunnen voorzien en kunnen verdisconteren in al die strafbepalingen. Daarom zijn er in de loop van de tijd (o.a.) 'strafuitsluitsluitingsgronden' ontwikkeld.

Er zijn twee categorieën strafuitsluitingsgronden:
rechtvaardigingsgronden en schulduitsluitingsgronden.

Rechtvaardigingsgronden nemen de wederrechtelijkheid (die in beginsel 'per definitie' besloten ligt in, en/of een algemeen kenmerk is van strafbare feiten) bij nader inzien alsnog weg.

Schulduitsluitingsgronden nemen de 'schuld in de zin van verwijtbaarheid' (die eveneens wordt verondersteld besloten te liggen in het strafbare feit) bij nader inzien weg.

Verwarrend is wel dat het begrip 'wederrechtelijk' (of verwijtbaarheid) soms ook expliciet of impliciet als voorwaarde (bestanddeel) is opgenomen in de desbetrefffende wettelijke delictsomschrijving. De wetgever heeft met deze wederrrechtelijkheid 'als voorwaarde voor de strafbaarheid van het feit' een andere (beperktere) betekenis op het oog dan 'de wederrechtelijkheid (in de ruime zin van het woord) die 'voortvloeit' uit, of besloten ligt in de strafbaarheid van het feit'.

Voorbeeld:
Het begrip 'wederrechtelijk' als bestanddeel van een delictsomschrijving - dus als voorwaarde voor strafbaarheid van het feit - betekent onder meer: 'zonder toestemming van de rechthebbende' en/of ‘zonder wettelijke bevoegdheid’ (overigens verschillen de meningen over de precieze betekenis van het begrip ‘wederrechtelijk’ in de verschillende delictsomschrijvingen).  
Zo is ‘wederrechtelijk’ in deze beperkte zin als bestanddeel, dus als voorwaarde voor strafbaarheid, opgenomen in de delictsomschrijving van art. 350 Sr (zaaksbeschadiging).

Als iemand zonder toestemming van de rechthebbende een gebouw sloopt, is dus voldaan aan één van de voorwaarden voor de strafbaarheid van zaaksbeschadiging. Als dan ook nog is voldaan aan alle andere voorwaarden voor strafbaarheid, levert dat een strafbaar feit op (in dit geval: art. 350 Sr, zaaksbeschadiging).

In dat strafbare feit ligt vervolgens de 'wederrechtelijkheid' (in ruime zin) besloten. Dat wil zeggen dat in dat geval aan alle voorwaarden is voldaan om de gedraging als een 'strafbaar feit' en dus als een wederrechtelijke gedraging te kunnen aanmerken. Tenzij er sprake is van een strafuitsluitingsgrond, die deze wederrechtelijkheid in ruime zin alsnog 'wegneemt'. 


Nog verwarrender is het dat de Hoge Raad heeft uitgemaakt dat in 'schuld' (in de zin van onvoorzichtigheid) de wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid als het ware al zit ingebakken. Wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid zijn daardoor voorwaarden geworden voor de strafbaarheid van 'culpose delicten' (delicten waarbij onvoorzichtigheid een voorwaarde voor strafbaarheid is), terwijl dezelfde wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid normaal gesproken worden geacht voort te vloeien uit de gezamenlijke (ook andere) voorwaarden voor strafbaarheid.


Er zijn in de loop van de tijd (naast zgn. 'vervolgingsuitsluitingsgronden' en 'kwalificatie-uitsluitingsgronden') diverse 'bijzondere' strafuitsluitingsgronden opgenomen in delictsomschrijvingen.

Daarnaast - en daar gaat het hier om - zijn er enkele algemene (geschreven en ongeschreven) strafuitsluitingsgronden ontwikkeld.

In schema:


STRAFUITSLUITINGSGRONDEN

(EXCEPTIES)



a.         RECHTVAARDIGINGSGRONDEN

b.         SCHULDUITSLUITINGSGRONDEN



WETTELIJKE RECHTVAARDIGINGSGRONDEN

a.         OVERMACHT-NOODTOESTAND (40)
b.         NOODWEER (41-1)
c.         UITVOERING WETTELIJK VOORSCHRIFT (42)
d.         UITVOERING BEVOEGD GEGEVEN AMBTELIJK BEVEL (43-1)

BUITENWETTELIJKE RECHTVAARDIGINGSGROND
ONTBREKEN MATERIËLE WEDERRECHTELIJKHEID (VEEARST ARREST)

WETTELIJKE SCHULDUITSLUITINGSGRONDEN
a.         ONTOEREKENINGSVATBAARHEID (39)
b.         PSYCHISCHE OVERMACHT (40)
c.         NOODWEEREXCES (41-2)
d.         UITVOERING (T.G.T.) VAN EEN ONBEVOEGD GEGEVEN AMBTELIJK BEVEL (43-2)

BUITENWETTELIJKE SCHULDUITSLUITINGSGROND
AFWEZIGHEID VAN ALLE SCHULD (MELK EN WATER ARREST)
Uitwerking:
 
ONTOEREKENINGSVATBAARHEID

HET FEIT KAN NIET (GEHEEL) AAN DE DADER WORDEN TOEGEREKEND (VERWETEN)
OMDAT ER GEEN OF ONVOLDOENDE SPRAKE WAS VAN EEN VRIJE WILSBEPALING T.A.V. DE STRAFBARE GEDRAGING,

WEGENS EEN GEBREKKIGE ONTWIKKELING OF EEN ZIEKELIJKE STOORNIS VAN DE GEESTESVERMOGENS (het causale verband)

Varianten:

DE DADER HAD NIET OF ONVOLDOENDE INZICHT IN DE DRAAGWIJDTE VAN DE DESBETREFFENDE GEDRAGING. HIJ BESEFTE NIET WAT HIJ AANRICHTTE. (cognitief).

DE DADER WAS (ANDERSZINS) NIET OF ONVOLDOENDE IN STAAT ZIJN WIL TE BEPALEN. HIJ WERD BIJV. GESTUURD DOOR EEN ZIEKELIJKE NEIGING EN/OF DOOR EEN ZGN. IMPULSCONTROLE-STOORNIS.
VGL. DE PYROMAAN, DE KLEPTOMAAN, etc. (volitief)

Samengevat:
Is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis v.d. geestvermogens?
Is er causaal verband  tussen de gebrekkige ontwikkeling/stoornis en het delict? 
Is het causale verband voldoende reden  om het delict (normatief) niet (geheel) toe te rekenen?

N.B.: Een dader die (geheel of gedeeltelijk) ontoerekeningsvatbaar is, kan niet strafrechtelijk worden afgerekend op zijn daden (er kan hem dus geen - of hooguit een lagere - straf worden opgelegd) maar hij kan wel worden onderworpen aan een 'maatregel' zoals TBS met of zonder dwangverpleging.

OVERMACHT-NOODTOESTAND

ER WAS SPRAKE VAN EEN CONFLICT VAN PLICHTEN/BELANGEN, WAARBIJ DE DADER DOOR HET PLEGEN VAN EEN STRAFBAAR FEIT EEN ANDER (ZWAARDER WEGEND) MAATSCHAPPELIJK BELANG HEEFT GEDIEND?      
DUS: HEEFT DE DADER DE JUISTE KEUZE GEMAAKT ? (NORMATIEF OORDEEL).

CRITERIA:

PROPORTIONALITEIT:
WEEGT HET ANDERE BELANG ZWAARDER DAN HET BELANG DAT WORDT BESCHERMD DOOR DE OVERTREDEN REGEL (NORMATIEF OORDEEL) ?

SUBSIDIARITEIT:
WAS ER EEN ANDERE OPLOSSING MOGELIJK GEWEEST (DIE EEN LICHTER OF GEEN STRAFBAAR FEIT HAD OPGELEVERD) ?


PSYCHISCHE OVERMACHT

DE DADER HEEFT GEHANDELD ONDER INVLOED VAN EEN (DOOR DE OMSTANDIGHEDEN VAN HET GEVAL VEROORZAAKTE)  PSYCHISCHE DRANG
(DUS I.T.T. ONTOEREKENINGSVATBAARHEID: EEN ‘EXTERN VEROORZAAKTE’ PSYCHISCHE DRUK)

WAARAAN HIJ GEEN WEERSTAND KON/HOEFDE TE BIEDEN

DE VRAAG OF DE DADER AL DAN NIET WEERSTAND HOEFDE TE BIEDEN AAN DE (VAN BUITEN KOMENDE) PSYCHISCHE DRUK, IS STERK NORMATIEF BEPAALD:
KAN VAN EEN NORMAAL PERSOON WORDEN GEVERGD DAT HIJ ZICH ONDER DE OMSTANDIGHEDEN VAN HET GEVAL WEET TE BEHEERSEN. (GELET OP DE PROPORTIONALITEIT/SUBSIDIARITEITS-EIS)
DAARNAAST SPELEN OOK PERSOONSGEBONDEN FACTOREN EEN ROL. (GARANTENSTELLUNG)

UITVOERING WETTELIJK VOORSCHRIFT
(ART. 42 SR)

HET BEGRIP ‘WETTELIJK VOORSCHRIFT’ MOET WORDEN GELEZEN ALS EEN ‘PLICHT TOT HANDELEN’
(EN DUS NIET ALS EEN ‘BEVOEGDHEID TOT HANDELEN’).

DUS:
ALLEEN DEGENEN DIE OP GROND VAN EEN WETTELIJK VOORSCHRIFT ZIJN BELAST MET BEPAALDE TAKEN, KUNNEN ZICH TER ZAKE VAN DE UITOEFENING VAN DIE TAKEN (EN HET EVENTUELE ‘GEPASTE GEWELD’ DAT DAARMEE GEPAARD KAN GAAN) BEROEPEN OP DEZE RECHTVAARDIGINGSGROND.

UITVOERING VAN EEN AMBTELIJK BEVEL
(ART. 43-1 SR.)

EEN BEROEP OP DEZE RECHTVAARDIGINGSGROND MAAKT KANS ALS:
-           HET BEVEL BEVOEGD IS GEGEVEN;
-           HET BEVEL PAST BINNEN DE ‘NORMALE’ BEVOEGDHEID EN TAAKOMSCHRIJVING VAN DE AMBTENAAR DIE HET BEVEL GEEFT;
-           IS VOLDAAN AAN HET PROPORTIONALITEITSVEREISTE.
(DAT LAATSTE WIL ZEGGEN DAT ER GEEN SPRAKE MAG ZIJN VAN EEN WANVERHOUDING TUSSEN HET BELANG DAT DOOR HET UITVOEREN VAN HET BEVEL WORDT GESCHONDEN, EN HET BELANG DAT MET DE UITVOERING VAN HET BEVEL WORDT GEDIEND.
DAT ZAL MAAR ZELDEN HET GEVAL ZIJN, OMDAT ER VEEL GEWICHT WORDT TOEGEKEND AAN BEVOEGD GEGEVEN BEVELEN DOOR HET DAARTOE BEVOEGDE GEZAG)


ONBEVOEGD GEGEVEN AMBTELIJK BEVEL
(ART. 43-2 SR.)

EEN BEROEP OP DEZE SCHULDUITSLUITINGSGROND MAAKT KANS ALS:
DE VERDACHTE TE GOEDER TROUW (IN ‘OBJECTIEVE’ ZIN) EN VERONTSCHULDIGBAAR HEEFT VERTROUWD OP DE BEVOEGDHEID VAN DE DESBETREFFENDE AMBTENAAR

EN DE NAKOMING VAN HET BEVEL GELEGEN IS BINNEN DE KRING VAN DE ONDERGESCHIKTHEID VAN DE VERDACHTE.
(DAT LAATSTE RUIM OP TE VATTEN; ER HOEFT GEEN SPRAKE TE ZIJN VAN EEN AMBTELIJKE GEZAGSVERHOUDING; DE ONDERGESCHIKTHEID KAN OOK VAN TIJDELIJKE OF BIJZONDERE AARD ZIJN; VGL. AANWIJZINGEN IN HET VERKEER)
(HET BETREFT IN FEITE EEN VORM VAN VERSCHOONBARE DWALING; ZIE OOK AVAS)



Noodweer (art. 41, lid 1 Sr)

1.                  Ogenblikkelijke aanranding? (Evt.: onmiddellijk dreigend gevaar?)
2.                  Van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed?
3.                  Wederrechtelijke aanranding?
4.                  Verdediging noodzakelijk?
(De nog enige redelijke resterende mogelijkheid?)

Zo ja, dan: ‘noodweersituatie’

5.                  Déze (noodzakelijke) verdediging ook geboden?
(subsidiariteits- en proportionaliteitsvereiste).  Zo ja, dan: noodweer. Zo niet:

Noodweerexces (art. 41, lid 2 Sr) ?   Voorwaarden:

1.                 
Noodweersituatie   (de 1e vier vragen hierboven  bevestigend beantwoord ?
Dus: was er sprake van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van L, E. of G.?)

2.                 
De grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden? (Dus: niet geboden. Niet voldaan aan het subsidiariteits/proportionaliteitsvereiste.)

3.                 
Deze overschrijding  (dus het ‘te ver zijn gegaan’) het onmiddellijke gevolg van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door  de aanranding?
(dubbele causaliteit)


Grafisch:
Noodweer (verdediging proportioneel)

Aanranding    ───────────
Verdediging    ────────────

Noodweerexces (verdediging onverwijtbaar disproportioneel)

a.                  
intensief exces
Aanranding   ───────
Verdediging    =========

b.                  
extensief exces
Aanranding   ───────
Verdediging   ────────────

c.        
tardief exces (Loon op Zand constructie: verdediging pas na afloop van de aanranding)
Aanranding   ─────
Verdediging                  ──────





 
Ongeschreven rechtvaardigingsgronden.


Naast geschreven rechtvaardigingsgronden, kent ons recht ook een aantal ongeschreven
rechtvaardigingsgronden, zoals:


Toestemming.
En een variant daarvan:

Het vrijwillig deelnemen aan bepaalde sportevenementen die mogelijk letsel met zich mee brengen (bokswedstrijden, etc.) of andere evenementen, zoals een ontgroening,
waarbij vrijwillige deelname binnen zekere grenzen de wederrechtelijkheid van het
toebrengen van pijn of letsel wegneemt.


Voorts kennen we bijvoorbeeld nog de zgn. 'kunstexceptie' (een romanfiguur die een beledigende opmerking maakt jegens een bevolkingsgroep of een vooraanstaand persoon).

Daarnaast is in de jurisprudentie (meer algemeen) de ongeschreven rechtvaardigingsgrond 'het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid' aanvaard.

Deze ongeschreven rechtvaardigingsgrond vormt eveneens een vangnet
 (voor gevallen waarin de geschreven rechtvaardigingsgronden onvoldoende zijn toegesneden op bepaalde zeer bijzondere situaties die de wetgever niet heeft voorzien).

Echter, gezien de ruime uitleg die tegenwoordig wordt gegeven aan bijv. de
rechtvaardigingsgrond ‘overmacht noodtoestand’, heeft deze ongeschreven
rechtvaardigingsgrond nauwelijks nog betekenis.

De strekking van deze ongeschreven rechtvaardigingsgrond is, dat

- als het doel van de overtreden regel ook - of zelfs beter - kan worden bereikt door handelen dat (naar de letter) in strijd is met de wettelijke bepaling,
- dan valt (als is voldaan aan het proportionaliteitsvereiste en het subsidiariteitsvereiste) de strafbaarheid weg.

Deze ongeschreven rechtvaardigingsgrond is aanvaard in het Veeartsarrest (NJ 1933, 918).

De feiten:

De verdachte, een veearts, had koeien die droog stonden, op een medisch verantwoorde wijze
blootgesteld aan besmetting met mond- en klauwzeer, hoewel dat in strijd was met art. 82 en 85
van de Veewet uit die tijd (op grond waarvan het verboden was vee aan besmetting bloot te
stellen).

De veearts had dat verbod echter overtreden uit deernis met de koeien, omdat de koeien toch wel
een keer besmet zouden raken, en besmetting van koeien die droog stonden, veel minder ernstige
gevolgen zou hebben dan koeien die wel melk gaven.

Op deze manier kon het afweersysteem van de koeien worden geactiveerd, en zou de besmetting
zijn werk hebben gedaan, voordat de koeien weer melk zouden geven.

De HR overwoog dat, ook al was er geen sprake van een toepasselijke wettelijke
rechtvaardigingsgrond, de onrechtmatigheid van een handeling desondanks kan ontbreken. Dat
was, alles afwegende, hier het geval.


De ongeschreven schulduitsluitingsgrond: afwezigheid van alle schuld (AVAS)

Varianten:

Verontschuldigbare ‘feitelijke dwaling’

Dwaling t.a.v. de feiten kan betrekking hebben op
-                      (geobjectiveerde) bestanddelen van de delictsomschrijving/tenlastelegging,
-                      feiten waarop een strafuitsluitingsgrond wordt gestoeld
-                      feiten m.b.t. de eigen gezondheid of de technische staat van een voertuig,
-                      etc.
Of de onwetendheid t.a.v. de feiten verontschuldigbaar (verschoonbaar) is of verwijtbaar is, wordt sterk normatief bepaald (o.g.v. rechtspolitieke overwegingen).
Voorbeeld: men ziet een verkeersbord niet omdat er een boomtak voor hangt.
In het algemeen geldt, dat men wordt geacht zich zo goed mogelijk op de hoogte te stellen, bijvoorbeeld door het inwinnen van adviezen bij deskundigen.
Vgl. met betrekking tot feitelijke dwaling de zgn. ‘Leeftijdarresten’ (i.v.m. ontucht met minderjarigen).

Putatieve strafuitsluitingsgronden (met name putatieve rechtvaardigingsgronden)
Vaak een variant of een combinatie van (verontschuldigbare) feitelijke dwaling en (verontschuldigbare) rechtsdwaling.

(B.v. putatief noodweer:
men denkt ten onrechte dat men wordt ‘aangerand’,
en/of
men denkt ten onrechte dat de ‘aanranding’ wederrechtelijk is,
terwijl er sprake is van een rechtmatige aanhouding door een politiefunctionaris).

Beroep op ‘zorgvuldig gedrag’
De vraag die in dat verband moet worden beantwoord:

Is voldaan aan de algemene of bijzondere zorgplicht die onder de omstandigheden van het geval geldt?
(Is er sprake van geoorloofde risico’s? Is voldaan aan de in dat geval vereiste zorgvuldigheid? Is voldaan aan de gestelde eisen?)
Het criterium in dat verband:
De maximale zorg die in redelijkheid kan worden gevergd ter vermijding van het begaan van strafbare feiten.


Beroep op verontschuldigbare onmacht
(een variant van ‘feitelijke dwaling’):
Onwetendheid m.b.t. technische gebreken aan een vervoermiddel; plotseling opkomende ziektes, aanvallen, black-outs; onvoorziene gevolgen van medicijngebruik, etc.
De bijzonderheden van het geval zijn doorslaggevend voor de vraag of er sprake is van verontschuldigbare onmacht (Garantenstellung, onderzoeksplicht, etc. Zie ook het beroep op ‘zorgvuldig gedrag’).

Verontschuldigbare ‘rechtsdwaling’
De beslissing dat dwaling t.a.v. het recht verontschuldigbaar of verwijtbaar is, wordt eveneens sterk normatief bepaald. Ook hier geldt een inspanningsverplichting. Enkele criteria:
a)                    
van verontschuldigbare rechtsdwaling kan alleen sprake zijn als men zich (gelet op de omstandigheden van het geval) behoorlijk op de hoogte heeft gesteld;
b)                    
een ingewonnen advies kan echter slechts een verontschuldigbare rechtsdwaling opleveren als
.           het advies is verstrekt door een persoon/instantie aan wie zódanig gezag valt toe te kennen, dat de verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen;
.           het advies afkomstig is van een onafhankelijke persoon/instantie (de voorwaarde van belangeloosheid, onpartijdigheid, niet-betrokkenheid).

c)                   
voorts kan dwaling verontschuldigbaar zijn als de dwaling het gevolg is van (onjuiste) algemene overheidsvoorlichting;
d)                     
daarnaast: in geval er een vergunning is verstrekt, mag de betrokkene er i.h.a. op vertrouwen dat de vergunning in overeenstemming met het recht is verstrekt, met uitzondering van het geval waarin de verlening een zo onmiskenbare wetsschending opleverde, dat ook betrokkene dat had behoren te begrijpen.

Bij dat alles zal dus acht worden geslagen op verschillende factoren, zoals de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de adviseur; de specifieke deskundigheid van de adviseur; de complexiteit van de materie waarover advies wordt ingewonnen; de precieze inhoud van de adviezen.
 

Strafbare deelneming aan delicten in schema

Vooraf:

Ons strafrecht kent verschillende deelnemingsvormen. De meeste 'deelnemers' aan strafbare feiten worden in beginsel even strafwaardig geacht als de directe 'pleger' van het delict (met uitzondering van medeplichtigheid, waarbij de maximum straf die op het desbetreffende delict is gesteld, met 1/3 wordt verminderd).
Het betreft: medeplegen, doen plegen, uitlokking en medeplichtigheid.
Plegers, medeplegers, doen plegers en uitlokkers worden als 'daders' aangemerkt (medeplichtigen niet)
Overigens kent ons strafrecht daarnaast nog enkele andere (in afzonderlijke delictsomschrijvingen opgenomen 'bijzondere') deelnemingsvormen die een strafverzwarend ('kwalificerend') effect hebben. Vgl. diefstal in vereniging in art. 311 Sr.
Ook kan nog worden gewezen op het zgn. 'functioneel daderschap', dat ook als een deelnemingsvorm kan worden beschouwd. Dat geldt ook voor het daderschap van de rechtspersoon en de feitelijk leidinggevende of opdrachtgever. Daarop heeft dit overzicht geen betrekking (zie elders).


Strafbare deelneming:

Vereisten voor strafbare deelneming aan een delict

1.                Accessoriteit
(er moet een strafbaar grondfeit, of een strafbare voorbereiding/poging daartoe, tot stand zijn gekomen; er moet dus – wil er sprake zijn van strafbare deelneming – daadwerkelijk een strafbaar feit zijn gepleegd)

N.B.: voor sommige (nieuwe) ‘deelnemingsvarianten’ geldt dit vereiste niet. Vgl. het nieuwe art. 141a Sr: ‘het opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van geweld tegen personen of goederen’. Dat lijkt op medeplichtigheid, uitlokking of medeplegen. Verschil is, dat voor strafbaarheid op grond van art. 141a Sr niet is vereist dat dit ‘aanzetten’ tot het plegen van geweld ook daadwerkelijk tot een strafbaar feit leidt.

2.                Opzet op de deelneming zelf
(dus opzet op het medeplegen, doen plegen, uitlokken, of medeplichtigheid)

3.                Opzet op het grondfeit, dus op het delict waartoe wordt deelgenomen
(maar dat geldt niet onverkort voor culpose delicten, misdrijven met geobjectiveerde bestanddelen en overtredingen. Er moet dan – voor strafbaar ‘doen plegen’ en ‘medeplegen’ – in ieder geval sprake zijn van opzet op de gevaarlijke of verboden gedraging die aan deze (o.a. culpose) delicten ten grondslag ligt)


Vloeiende grenzen; waar ligt het onderscheid:

Uitlokking vs. doen plegen:
Uitlokking: de uitgelokte (pleger) is zelf ook strafbaar
Doen plegen: de onmiddellijke pleger is zelf niet strafbaar

Uitlokking vs. medeplichtigheid:
Uitlokking: het voornemen tot het plegen van het strafbare feit wordt door de uitlokker bij de uitgelokte gewekt (het initiatief ligt dus bij de uitlokker)
Medeplichtigheid: het voornemen tot het plegen van het strafbare feit bestond reeds bij de pleger (het plan komt niet van de medeplichtige maar van de pleger. De medeplichtige verleent slechts hulp). Met name de ‘voorafgaande medeplichtigheid’ leunt dicht aan tegen uitlokking.

Medeplegen vs. medeplichtigheid
Medeplegen: volwaardig aandeel in de gezamenlijke uitvoering van het gezamenlijke criminele plan
Medeplichtigheid: het aandeel is beperkt tot voorbereidings- of ondersteuningshandelingen. Met name de ‘gelijktijdige medeplichtigheid’ leunt dicht aan tegen medeplegen.


Medeplegen

Verschillende varianten:

a)                    
Alle deelnemers vervullen elk voor zich de hele delictsomschrijving
b)                     
Er is sprake van een gezamenlijk plan, waarbij elk van de medeplegers een bijdrage levert aan het vervullen van (alle) delictsbestanddelen (vgl. het vasthouden van het slachtoffer tijdens een mishandeling)
c)                    
Er is sprake van een gezamenlijk plan, waarbij elk van de medeplegers een deel van de delictsbestanddelen vervult.


Criteria voor strafbaar medeplegen:
Bewuste, nauwe en volledige samenwerking


Indicaties voor de vereiste intensiteit van de bewuste samenwerking:
                    
-          er is sprake van een gezamenlijk plan (een gezamenlijk beramen van het strafbare feit)
-          het plan wordt gezamenlijk uitgevoerd
-          elke deelnemer vervult daarbij een volwaardige, substantiële rol
-          er is sprake van een taakverdeling
-          de rollen zijn inwisselbaar (de rolverdeling is toevallig; de rolverdeling was bijvoorbeeld niet relevant voor de verdeling van de opbrengsten).
-          er is sprake van eerdere samenwerking met dezelfde rolverdeling
-          de betrokkene heeft zich op relevante momenten niet gedistantieerd (de ‘bewuste samenwerking’ kan dus ook stilzwijgend) en/of was op belangrijke momenten aanwezig (overigens is lijfelijke aanwezigheid niet doorslaggevend)
-          andere aanwijzingen waaruit kan worden afgeleid dat betrokkene de causale reeks van gebeurtenissen rechtstreeks (mede) heeft beïnvloed.            

N.B.: Als een 'bijdrage' van een deelnemer naar haar uiterlijke verschijningsvorm meer weg heeft van medeplichtingheid dan van medeplegen (bijvoorbeeld: vooraf inlichtingen verstrekken, op de uitkijk staan, de dader helpen te vluchten, etc.), maar de rechter toch 'medeplegen' bewezen verklaart, worden er - aldus de HR - hoge eisen gesteld aan de motivering daarvan, met een verwijzing naar de hierboven opgesomde indicaties. (Zie overzichtsarrest HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:3474 en enkele daarop voortbordurende latere arresten; Zie ook NJB 2015, no. 15, p. 958)                
                     
Medeplichtigheid

Varianten:
                    
Voorafgaande (consecutieve) medeplichtigheid: het opzettelijk verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf;
                    
Gelijktijdige (simultane) medeplichtigheid: het opzettelijk behulpzaam zijn bij  het plegen van het misdrijf (dat kan overigens ook heel goed d.m.v. het verschaffen van middelen e.d., ook al rept art. 48 onder 1e daar niet van).

De betekenis van het onderscheid is maar zeer betrekkelijk.

Criteria:

Er moet sprake zijn van (voorwaardelijk) opzet op het behulpzaam zijn tot/bij het plegen van het desbetreffende delict.
Daarnaast moet er sprake zijn van (voorwaardelijk) opzet op het delict zelf.

In de jurisprudentie is ook ‘passieve medeplichtigheid aanvaard: het opzettelijk nalaten, terwijl handelen was geboden (en ook mogelijk was) op grond van een rechtens erkende zorgplicht of een voorafgaand handelen.

De strafrechtelijke aansprakelijkheid

Ook voor medeplichtigheid geldt, dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid niet verder reikt dan waarop het opzet was gericht. Art. 49-4 regelt dat op een bijzondere wijze:

Als de pleger ‘verder gaat’ dan de medeplichtige had verwacht, dan volgt de medeplichtige de pleger wél m.b.t. de kwalificatie van het feit, maar wordt de strafmaat bepaald o.g.v. de handelingen die hij opzettelijk gemakkelijk heeft gemaakt.
(B.v.: medeplichtigheid aan zware mishandeling beoogd; pleger maakt zich met zijn hulp schuldig aan moord. Medeplichtige veroordeeld voor medeplichtigheid aan moord, maar strafmaat o.g.v. zware mishandeling.)

De eventuele kwalificerende (geobjectiveerde) gevolgen worden wél in rekening gebracht.

Echter, als de pleger een geheel ander delict pleegt dan de medeplichtige had verwacht, is er geen sprake van strafbare medeplichtigheid.


Medeplichtigheid aan strafbare poging of voorbereiding

Als de pleger niet verder komt dan een strafbare poging, dan wordt dat ook verdisconteerd in de strafmaat m.b.t. de medeplichtige:
2/3 x 2/3 = 4/9.

Dat geldt ook als de pleger niet verder komt dan strafbare voorbereiding:
2/3 x ½ = 1/3

(Zoals bleek is medeplichtigheid – evenals andere vormen van deelneming – aan poging/voorbereiding van een strafbaar feit mogelijk. Andersom niet, met uitzondering van poging tot uitlokking/doen plegen (art. 46a Sr). Ook is medeplichtigheid aan poging tot uitlokking (art. 46a Sr) denkbaar).


Doen Plegen

1.                 
De onmiddellijke pleger (de ‘uitvoerder’) is niet strafbaar ter zake van het desbetreffende delict.
2.                 
Geen speciale middelen vereist.
3.                 
Voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de doen pleger is zijn (evt. voorwaardelijke) opzet (en niet de accessoriteit) doorslaggevend.
Dat geldt zowel voor het geval de onmiddellijke pleger verder gaat dan de doen pleger had beoogd/gedacht, als voor het geval de doen pleger minder ver gaat dan de doen pleger had beoogd/gedacht. (Voorbeeld: doen plegen van moord, terwijl de ‘uitvoerder’ hooguit ‘dood door schuld’ kan worden verweten)

Als de onmiddellijke pleger een geheel ander delict pleegt, is de doen pleger daarvoor niet strafrechtelijk aansprakelijk, maar rest nog wel de mogelijkheid van art. 46a: poging tot uitlokking of poging tot doen plegen (van het beoogde delict.)

Uitlokking

1.                 
De uitgelokte is ook strafbaar.
2.                 
Limitatief in de wet opgesomde (maar ruim omschreven en ruim te interpreteren) uitlokkingsmiddelen:
3.                 
Bij uitlokking speelt de accessoriteit een relatief grotere rol dan bij doen plegen; het opzet van de uitlokker is niet altijd doorslaggevend voor zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid (als de uitgelokte minder ver gaat dan de uitlokker had beoogd, ‘volgt’ de uitlokker de kwalificatie van het delict dat door de uitgelokte pleger is gepleegd. Dat geldt ook voor de vrijwillige terugtred van de uitgelokte. In dat geval is de uitlokker niet strafbaar wegens uitlokking maar eventueel wel wegens poging uitlokking van art. 46a Sr) Andersom (dus als de uitgelokte verder gaat dan de uitlokker voor ogen stond) geldt dit alles overigens niet!
In het voorbeeld hierboven – bij doen plegen – zou de uitlokker worden veroordeeld voor het uitlokken van dood door schuld i.p.v. uitlokken van moord )
Hiermee wijkt uitlokking dus af van doen plegen, waar het accent relatief meer op het opzet ligt.

In de literatuur wordt tegenwoordig geen scherp onderscheid meer gemaakt tussen uitlokking en doen plegen

De verschillende combinaties nog eens op een rijtje

Strafbare poging tot voorbereiding en voorbereiding van poging:
Niet mogelijk (art. 45 en 46 niet te combineren)

Strafbare voorbereiding van, en poging tot deelneming:
Niet mogelijk (i.v.m. accessoriteit) m.u.v. art. 46 a Sr: mislukte poging tot uitlokking/doen plegen. 

N.B.: poging tot medeplegen is in bepaalde gevallen wel strafbaar: de medepleger die bijv. te laat komt, zodat het delict ook zonder zijn aandeel wordt gepleegd, is onder omstandigheden gewoon strafbaar wegens medeplegen. Andersom geldt dat als de medepleger zich bedenkt - dus vrijwillig terugtreedt - de andere medeplegers gewoon strafrechtelijk aansprakelijk blijven voor het delict. De vrijwillige terugtred heeft jegens hen dus geen derdenwerking. Dat is anders als de 'uitvoerder' van een delict vrijwillig terugtreedt en er is sprake van medeplichtigheid; de medeplichtige is in dat geval niet strafbaar (wegens het ontbreken van accessoriteit). Het terugtreden van de uitvoerder heeft ten opzichte van de medeplichtige dus 'derdenwerking'. Anders gezegd: in dit geval is deze mislukte medeplichtigheid (dus 'poging medeplichtigheid') niet strafbaar).

Strafbare deelneming aan strafbare poging of voorbereiding:
Wel mogelijk.

Strafbare deelneming aan deelneming (in diverse varianten en combinaties):
Wel mogelijk, mits is voldaan aan het accessoriteitsvereiste en het vereiste van dubbele opzet (op de deelneming en op het grondfeit). Ook wel samengestelde deelneming genoemd.


Art. 46a
Poging tot uitlokking/doen plegen (mislukte uitlokking)

1.      Pogen ‘een ander te bewegen’           
2.      Tot een misdrijf
3.      D.m.v. de ‘uitlokkingsmiddelen’ van art. 47-1 onder 2e Sr.
4.      Terwijl de poging niet slaagt  (d.w.z. niet resulteert in het beoogde misdrijf (of poging daartoe); want dan is er gewoon sprake van uitlokking of doen plegen).
5.      Hier dus wel dubbele opzet vereist (op het ‘bewegen’ en op het misdrijf)
6.      Maar geen ‘accessoriteit’
7.      De ‘uitlokker’ kan (ook hier) vrijwillig terugtreden.
8.      Hij moet dan de ‘uitgelokte’ er van weerhouden het beoogde misdrijf te plegen (overhalen, tegenhouden, etc.). Er moet dan sprake zijn van omstandigheden die uitsluitend ‘van de wil van de dader afhankelijk’ zijn. (Dus geen vrijwillige terugtred als
·                       de ‘uitgelokte’ zich laat weerhouden door ‘externe’ omstandigheden;
·                       de ‘uitgelokte’ zich laat weerhouden door persoonlijke
‘innerlijke’ beweegredenen (en dus zelf op zijn voornemen terugkomt);
·                       de ‘uitlokker’ de uitgelokte tegenhoudt vanwege ‘externe’
factoren.)

Strafbare poging en voorbereiding in schema

Strafbare poging.

Varianten:
-                      onvoltooide poging (in de tijd gezien. Dader bijv. gestoord bij zijn daad)
-                      voltooide poging (in de tijd gezien; vgl. de ondeugdelijke poging)
-                      mengvormen
-                      speciale variant (in de voorbereidingssfeer): mislukte uitlokking (art. 46a Sr)

Wettelijke criteria:
-                      voornemen van de dader (verwantschap met opzet; ook ‘voorwaardelijk opzet’ mogelijk)
-                      begin van uitvoering

Uitleg van de wettelijke criteria in de jurisprudentie:
-                      de ‘objectieve richting’: het voornemen van de dader moet ‘objectief’ blijken uit een begin van uitvoering. Het begin van de uitvoering vormt de grond voor de strafbaarstelling.
-                      de ‘subjectieve richting’: uit bepaalde gedragingen blijkt een op een bepaald misdrijf gericht voornemen. Deze criminele intentie vormt de grond voor de strafbaarstelling.
-                      De ‘verenigingstheorie’ (Cito-arrest): een gedraging geldt alleen als een begin van uitvoering van een misdrijf als zij ‘naar haar uiterlijke verschijningsvorm geacht moet worden te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf’.
Deze laatste theorie (en het daarbij behorende criterium) wordt tegenwoordig aangehangen.

Er kan overigens sprake zijn van delicten die geen ‘gedragingen’ omvatten. In dat geval wordt de strafbare poging anderszins vastgesteld (b.v. aan de hand van achteraf blijkende ‘uiterlijke feiten’).

Voorts is met betrekking tot bepaalde ‘formeel omschreven’ delicten de strafbare poging niet goed denkbaar. Voor zover dat wel het geval is (vgl. poging tot diefstal met braak) wordt het ‘begin van uitvoering’ anders bepaald dan in geval van ‘materieel omschreven’ delicten (zoals poging tot doodslag).

Ondeugdelijke poging
-                      absoluut ondeugdelijke poging (de handeling is absoluut ongeschikt om het misdrijf tot stand te brengen)
.     absoluut ondeugdelijk middel (suikerpoeder om iemand te vergiftigen)
.     absoluut ondeugdelijk object (moord op een lijk)
In beginsel niet strafbaar (uitzonderingen mogelijk).
-                      relatief ondeugdelijke poging
(de handeling kan i.h.a. het beoogde misdrijf wel tot stand brengen, maar onder de gegeven omstandigheden niet)
.     relatief ondeugdelijk middel (pistool is vochtig en weigert dienst)
.     relatief ondeugdelijk object (de kassa blijkt net te zijn geleegd)
Wel strafbaar.

Niet strafbaarheid van de poging in geval van:
-                      absoluut ondeugdelijke poging (in beginsel)
-                      poging tot een overtreding
-                      poging tot enkele misdrijven (vgl. poging tot eenvoudige mishandeling; poging tot tweegevecht)
-                      poging tot een culpoos gevolgsdelict (poging tot delicten waarbij de culpa betrekking heeft op bijkomende omstandigheden, is wel denkbaar; vgl. poging tot schuldheling)
-                      poging tot poging of voorbereiding (en poging tot delicten die als voorbereidings- of pogingsdelicten worden beschouwd, zoals bijvoorbeeld poging tot 'grooming')
-                      poging tot een aanslagdelict of een ‘voorbereidingdelict’ (vgl. samenspanning e.d.)

Vrijwillige terugtred (art. 46b Sr).
In geval van vrijwillige terugtred vervalt de strafbaarheid van de poging.
Criteria:
-                      de niet voltooiing van het misdrijf moet het gevolg zijn van omstandigheden die enkel van de wil van de verdachte afhankelijk zijn (en dus geen externe oorzaak hebben)
-                      bij een voltooide poging is in theorie geen terugtred meer mogelijk. De HR heeft dat echter genuanceerd: terugtred is nog mogelijk zolang het delict niet is voltooid.
-                      Bij een voltooid delict is geen terugtred meer mogelijk, ook niet als de dader bijvoorbeeld het gestolen goed terugbrengt.
Overigens wordt bij sommige delicten de voltooiing a.h.w. uitgesteld (een getuige kan bijvoorbeeld vóór de afloop van zijn verhoor nog terugkomen op zijn meinedige verklaring: het delict meineed is pas voltooid als het verhoor is afgelopen)


Strafbare voorbereiding

Criteria voor strafbaarheid:
-                      bepaalde voorbereidingsmiddelen (voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten, vervoermiddelen)
-                      voorbereiding van een misdrijf waarop 8 jaar gevangenisstraf of meer staat
-                      bepaalde voorbereidingshandelingen (verwerven, vervaardigen, in-, door- of uitvoeren, en voorhanden hebben)
-                      opzet (in de zin van ‘intentie’, naar mag worden aangenomen) op de criminele bestemming van de voorbereidingsmiddelen. N.B.: de HR heeft bepaald dat er ook sprake is van strafbare voorbereiding als de bewezenverklaarde gedragingen strekten ter voorbereiding van feiten als in de bewezenverklaring bedoeld (en het opzet daarop was gericht) ook al is er sprake van een absoluut ondeugdelijk doel (zoals voorbereidingshandelingen m.b.t. zedendelicten jegens een fictief (door 'medeplichtige' verzonnen) meisje van 10 jaar. Zie ECLI:NL:HR:2014:1233

Vrijwillige terugtred.
Criterium voor straffeloosheid wegens vrijwillige terugtred bij strafbare voorbereiding: 
Het voorbereidende werk moet weer ongedaan zijn gemaakt (zodat uitgesloten is dat d.m.v. de voorbereidingshandelingen het beoogde misdrijf wordt begaan).
Ook hier geldt dat de niet voltooiing van het beoogde delict het gevolg moet zijn van omstandigheden die van de wil van de verdachte afhankelijk zijn. 

Dat criterium geldt overigens ook voor poging tot uitlokking (art. 46a Sr): de verdachte zal er zelf voor moeten zorgen dat de door hem ‘bewogen’ persoon afziet van het plegen van het beoogde delict (tegenhouden e.d.). Als de 'bewogen' persoon zelf (alsnog) besluit af te zien van het beoogde delict (al dan niet bewogen door omstandigheden van diens wil afhankelijk), is er geen sprake vrijwillige terugtred. In dat geval is de uitlokking mislukt en is de uitlokker - als aan alle voorwaarden is voldaan - strafbaar o.g.v. art. 46a Sr.

Strafmaximum strafbare poging

Het strafmaximum m.b.t. strafbare poging wordt afgeleid van de straf waarmee het beoogde misdrijf is bedreigd. Het strafmaximum wordt met een derde verlaagd.


Strafmaximum strafbare voorbereiding

Ook bij strafbare voorbereiding is de strafbedreiging gerelateerd aan het beoogde delict. Het strafmaximum wordt ten opzichte daarvan met de helft verminderd.

dinsdag 3 januari 2012

De Voetbalwet in grote lijnen

De Voetbalwet (de Wet Maatregelen Bestrijding Voetbalvandalisme en Ernstige Overlast): nieuwe instrumenten voor het Openbaar Ministerie (OM) en de Burgemeester.
N.J.M. Kwakman

Vooraf:
Naast de voetbalwet zijn er ook diverse ‘reguliere’ strafrechtelijke interventies mogelijk om voetbalvandalisme en -geweld te bestrijden of strafrechtelijk af te straffen
(nog afgezien van de verschillende civielrechtelijke en bestuursrechtelijke maatregelen, zoals het civielrechtelijke stadionverbod van de KNVB, of de al langer bestaande bestuursrechtelijke ‘gebiedsverboden’ door de burgemeester).

Enkele van die ‘reguliere’ strafrechtelijke instrumenten:
a.
In de eerste plaats kan worden gewezen op de relevante strafbepalingen uit het Wetboek van Strafrecht (zoals mishandeling (art. 300 e.v. Sr), vernieling (art. 350 Sr), openlijke – gezamenlijke – geweldpleging (art. 141 Sr), deelneming aan vernieling (art. 306 Sr))
en voorts de relevante strafbepalingen uit de Algemene Plaatselijke Verordeningen (met name: verstoring van de openbare orde).
Voetbalhooligans die worden verdacht van dergelijke delicten, kunnen daarvoor ‘gewoon’ worden vervolgd en veroordeeld.
b.
Daarnaast kunnen het OM en de strafrechter bijvoorbeeld stadionverboden opleggen als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk sepot, respectievelijk bij een voorwaardelijke niet ten uitvoerlegging van een straf.
Om de naleving daarvan te controleren, kan daarbij als bijkomende voorwaarde tevens een ‘meldingsplicht’ worden opgelegd.
c.
Ten slotte kan in dit verband nog worden gewezen op de OM-afdoening van art. 257a e.v. Sv.
(De OM-afdoening – de zgn. ‘strafbeschikking’ – komt in de plaats van de transactie. Het OM, en in sommige gevallen ook de politie of een bestuursorgaan, kunnen op grond van de nieuwe wet OM-afdoening bepaalde sancties opleggen zonder tussenkomst van de rechter. Wel kan de verdachte daartegen in verzet gaan, waarna de zaak ‘gewoon’ aan de strafrechter wordt voorgelegd.
De wet OM-afdoening wordt gefaseerd ingevoerd).
In het kader van de OM-afdoening kunnen diverse soorten sancties worden opgelegd, maar de strafbeschikking kan ook ‘aanwijzingen’ bevatten die het gedrag van de verdachte betreffen. De verdachte moet daaraan voldoen gedurende een proeftijd van maximaal een jaar. Dus ook via dat traject kan de voetbalvandaal strafrechtelijk worden aangepakt en bijgestuurd.

De bestrijding van voetbalvandalisme heeft daarnaast ‘strafrechtelijk’ haar beslag gekregen in ‘Het beleidskader bestrijding voetbalvandalisme en voetbalgeweld 2005’.
Daarin wordt onderscheid gemaakt tussen drie categorieën risicowedstrijden
A-wedstrijden: de kans op wanordelijkheden is laag
B-wedstrijden: de kans op wanordelijkheden is gemiddeld
C-wedstrijden: de kans op wanordelijkheden is groot

Uit het oogpunt van preventie, en het streven naar een lik op stuk-aanpak, is het beleid zo precies mogelijk toegesneden op elk van de drie categorieën.
Zo is er voor elke categorie risicowedstrijden specifiek beleid voor wat betreft lokale snelrechtprocedures.

Uitgangspunt daarbij is dat bij heenzending door de politie altijd meteen een transactie of een dagvaarding wordt uitgereikt (ook bij A-wedstrijden).
Daarnaast is het beleid er op gericht dat het OM bij B-wedstrijden een lokale voetbal-snelrechtprocedure opstart in gevallen van voetbalvandalisme of -geweld, althans indien het OM dat nodig acht. De OvJ is daartoe oproepbaar.
Bij C-wedstrijden wordt zelfs standaard steeds een lokale voetbal-snelrechtprocedure opgestart in gevallen van voetbalvandalisme of -geweld. De OvJ is daartoe altijd – snel – beschikbaar.

Op strafprocesrechtelijk gebied kan de verdachte eventueel in voorlopige hechtenis worden genomen. Er moet dan vanzelfsprekend wel sprake zijn van ‘een geval’ waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten (art. 67 Sv), en van ‘een grond’ in de zin van art. 67a Sv.
In dat verband kan de rechter reeds in de aanloop naar het onderzoek ter terechtzitting een ‘gedragsaanwijzing’ geven. In dat geval vormt (het voldoen aan) de gedragsaanwijzing een voorwaarde voor schorsing van de voorlopige hechtenis (art. 80 lid 1 en 2 Sv).


Aanvullende instrumenten op grond van de Voetbalwet.

Sinds de invoering van de Voetbalwet (de Wet Maatregelen Bestrijding Voetbalvandalisme en Ernstige Overlast van 1 september 2010) beschikt het OM (en ook de burgemeester) over nieuwe instrumenten ter bestrijding van voetbalvandalisme en ernstige overlast in het algemeen.

Het belangrijkste instrument is de ‘gedragsaanwijzing’ die het OM (of de burgemeester) kan geven (ook als voorlopige hechtenis niet mogelijk is en de gedragsaanwijzing dus niet als voorwaarde voor schorsing van de voorlopige hechtenis kan worden ingezet).

De gedragsaanwijzing door het OM (op grond van het nieuwe art. 509hh Sv) kan inhouden:
- Een gebiedsverbod (bijvoorbeeld een – landelijk – stadionverbod)
- Een contactverbod (groepsverbod)
- Een meldingsplicht
- Een begeleidingsplicht (en het nakomen van bepaalde afspraken)

(Het daarmee vergelijkbare bestuurlijke bevel door de burgemeester kan inhouden:
- een groepsverbod;
- een gebiedsverbod (voor langere tijd);
- een meldingsplicht.
Zie art. 172a GemW.
De voorwaarden waaronder deze bestuurlijke bevelen kunnen worden uitgevaardigd (en de consequenties van overtredingen van de maatregelen), zijn gedetailleerd uitgewerkt in beleidsregels. Er dient in ieder geval sprake te zijn (geweest) van herhaalde verstoring van de openbare orde, een voorwaarde waarop nogal wat kritiek is geuit, mede omdat het nogal lastig is te achterhalen in hoeverre de personen in kwestie - en met name 'uitsupporters' - zich al eerder in dezelfde gemeente schuldig hebben gemaakt aan de verstoring van de openbare orde, zoals voetbalgeweld.

Sancties zijn mogelijk op grond van art. 184 Sr: het niet voldoen aan een ambtelijk bevel. Ook is een dwangsom per overtreding, tot een maximaal bedrag, denkbaar.

Het spreekt voor zich dat de burgemeester en het OM overleg hebben indien zij van plan zijn om (bijvoorbeeld) een gebiedsverbod op te leggen. Dat houdt mede verband met de samenloopregeling, die inhoudt dat de burgemeester geen gebiedsverbod mag opleggen als de OvJ dat via een gedragsaanwijzing doet. Het strafrechtelijke traject gaat dus voor.)

Het OM kan slechts een gedragsaanwijzing geven als er ‘ernstige bezwaren’ (een hoge graad van verdenking) zijn gerezen tegen de verdachte van een strafbaar feit
a.
waardoor de openbare orde ernstig is verstoord en er grote vrees voor herhaling bestaat
b.
er in verband met het strafbare feit vrees bestaat voor ernstig belastend gedrag van de verdachte jegens personen
c.
er in verband met het strafbare feit vrees bestaat voor gedrag van de verdachte dat herhaald gevaar voor goederen oplevert.

Daaruit volgt dat de gedragsaanwijzing echt nodig moet zijn en dat het onderzoek ter terechtzitting ter zake niet kan worden afgewacht.
De gedragsaanwijzing overbrugt als het ware de periode tot aan het onderzoek ter terechtzitting. Dat komt ook tot uitdrukking in het feit dat het OM ter terechtzitting over het algemeen een voorwaardelijke straf zal eisen met dezelfde bijzondere voorwaarde als in de gedragsaanwijzing besloten ligt.

Dat de zitting zo spoedig mogelijk dient plaats te vinden, volgt uit de termijnen gedurende welke de gedragsaanwijzing van kracht blijft: maximaal 90 dagen (of totdat het ter zake gewezen vonnis onherroepelijk is geworden). Wel is – mits de verdachte wordt vervolgd – maximaal 3x verlenging met 90 dagen mogelijk. Er moet dus in ieder geval binnen een jaar een rechter over de zaak hebben geoordeeld uitmondend in een onherroepelijk vonnis.

De rechter voor wie de verdachte is gedagvaard te verschijnen, kan de gedragsaanwijzing in stand laten, in de vorm van een bijzondere voorwaarde bij een (door het OM gevorderde) veroordeling tot een voorwaardelijke straf, maar kan de aanwijzing ook wijzigen of opheffen als hij van oordeel is dat niet langer is voldaan aan de voorwaarden voor de gedragsaanwijzing.

Enkele andere aandachtspunten

De verdachte – desgewenst bijgestaan door een raadsman – kan tegen de gedragsaanwijzing, of tegen de verlenging daarvan, in beroep gaan bij de rechtbank (het betreft dan een raadkamerprocedure). De rechtbank neemt daarover zo spoedig mogelijk een beslissing.
Ook tegen een veroordeling tot een voorwaardelijke straf door de rechtbank (met de daaraan verbonden bijzondere gedragsvoorwaarde) kan de verdachte in beroep gaan. Als de termijn van 90 dagen dan nog niet is verstreken, blijft de gedragsaanwijzing door het OM van kracht. Indien binnen de termijn van 90 dagen geen onherroepelijk vonnis is uitgesproken, kan de termijn binnen welke de gedragsaanwijzing van kracht blijft, maximaal twee maal met 90 dagen worden verlengd.

In artikel 184a Sr wordt het niet opvolgen van de gedragsaanwijzing van art. 509hh lid 1 onder b Sv strafbaar gesteld (het niet voldoen aan de andere gedragsaanwijzingen van het OM en de vergelijkbare bestuurlijke maatregelen door de burgemeester is strafbaar op grond van art. 184 Sr: het niet voldoen aan een ambtelijk bevel).

En in artikel 141a Sr worden bepaalde handelingen die voorafgaan aan geweldpleging (bijv. bepaalde handelingen die voorafgaan aan gezamenlijke openlijke geweldpleging in de zin van art. 141 Sr) strafbaar gesteld. Het betreft het opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van geweld tegen personen en/of goederen. Het belangrijkste verschil met medeplichtigheid en uitlokking is, dat het voor strafbaarheid op grond van art. 141a Sr niet nodig is dat het beoogde gronddelict ook daadwerkelijk heeft plaats gevonden.